De cursus bespreekt verschillende onderzoeksstrategieën en bijbehorende
dataverzamelingsmethoden die gebruikt kunnen worden om een bedrijfsprobleem te
analyseren.
Deductieve onderzoeksproces: theorie data
1. Het bedrijfsprobleem
Eigenschappen van een ‘’goed’’ bedrijfsprobleem:
- Uitvoerbaarheid: is het probleem goed afgebakend? Kan het probleem
uitgedrukt worden in variabelen? Kan je de benodigde data verkrijgen?
(bestaande/nieuwe data).
Meetbaar variabelen: moet variëren (op verschillende tijdstippen voor
eenzelfde persoon/bedrijf, op dezelfde tijd voor verschillende
personen/bedrijven), moet meetbaar zijn, moet concreet zijn.
- Relevantie: praktische relevantie (managers van 1 bedrijf/in 1 industrie, in
meerdere industrieën, eindgebruikers, beleidsmakers), academische
relevantie (nieuw topic, nieuwe context, integreren van versnipperd
onderzoek, verzoenen van tegenstrijdige resultaten in bestaand onderzoek).
2. Probleem stellingen en onderzoeksvragen
Wat is een goede probleemstelling?
- Geformuleerd in termen van variabelen en relaties.
- Open vraag.
- Helder/ondubbelzinnig geformuleerd.
Wat zijn goede onderzoeksvragen?
- Moeten gezamenlijk de probleemstelling beantwoorden.
- Eerst theoretische, dan praktische onderzoeksvragen.
- Helder en ondubbelzinnig geformuleerd.
, Theoretische onderzoeksvragen Praktische onderzoeksvragen
Contextuele vraag Relatie vraag
Alleen als de context om uitleg vraagt Wat is de relatieve sterkte van de
‘’Wat is …’’ relaties?
‘’To what extent does X affect Y’’
Conceptualisatie vraag Implicatie vraag (open vraag)
Alleen voor de variabelen die uitleg Hoe kunnen managers de resultaten
behoeven van de studie implementeren?
‘’Wat is …’’
Relatie vraag
Alle relaties uit de probleemstelling
moeten behandeld worden
‘’Hoe beïnvloed …’’
‘’Hoe hangt het effect van … af van …’’
3. Theoretisch kader
3 onderdelen:
1. Definities variabelen
Gebaseerd op een zorgvuldig literatuuroverzicht, voorbeelden zijn geen
vervanging voor een academische definitie. Erken altijd de belangrijkste
verschillen tussen de verschillen definities en kies vervolgens diegene die het
beste bij jouw onderzoeksvoorstel past.
2. Conceptueel model: visuele weergave van variabele en relaties en dient aan
te sluiten met je probleemstelling.
Rollen variabelen: afhankelijke, onafhankelijke, mediërende (volledige
mediatie/partiële mediatie), modererende variabelen (pure moderatie/quasi
moderatie), controle.
3. Hypotheses: een statement over de verwachte samenhang tussen twee of
meer variabelen (een relatie of een verschil) is je variabele continue
(grootheid: hoeveelheid kinderen) of categorisch (categorie: kleuren).
Continue variabele kun je categorisch maken, andersom niet.
Goede hypothese omvat: gebaseerd op theorie, meetbaar (testbare
variabelen), ondubbelzinnig.
Directionele versus non-directionele hypothese
Eenzijdig (duidelijk wat er wordt verwacht richting is bekend) versus
tweezijdig (minder duidelijk wat er wordt verwacht richting niet bekend)
Directionele hypothese: wanneer alle argumenten/bestaand bewijs een
bepaalde richting suggereren, wanneer het merendeel van de
argumenten/bestaand bewijs een bepaalde richting suggereren.
Non-directionele hypothese: wanneer het bewijs/argumenten in de ene
richting even sterk is als het bewijs/argumenten van de andere richting.
Onderbouwing hypothese: gebaseerd op literatuur, maar geeft concrete
argumenten voor jouw onderzoek/context, beoordeel of de literatuur wel van
toepassing is in jouw context.