CNA.CO.1:
Stappen bij het beoordelen van pt op functie-, activiteiten- en participatieniveau:
Bijv. hulpvraag: Ik zou graag mijn overhemd zelfstandig aan en uit willen kunnen trekken.
- Wat (kan hij hem uit en aantrekken?)
- Hoe (hoe doet hij dat?)
- Waarom (waarom doet hij dat zo?)
Activiteiten = problemen met overhemd aan- en uittrekken
Functie = SSSS (spierkracht, spiertonus, sensibiliteit, sturing/coordinatie) of mobiliteit/balans/snelheid
Participatie = hij heeft hulp nodig, hij is zelfstandigheid verloren
CNA.PGO-LIT
Spasme/spasticiteit = onwillekeurig samentrekken van spieren
Hypertonie = verhoogde druk of spanning
Rigiditeit = stijfheid
Paratonie = vreemde tonus van spieren
Doel = weerstand/stijfheid tegen passief bewegen meten (van elleboog of knie)
MAS test verschillende vormen van spierspanning / tonus
- Test geen spasme of rigiditeit maar kunt het wel waarnemen
o Stijfheid of abnormale bewegelijkheid
Modified Ashworth Scale (MAS) - score
1. Geen toename van spiertonus
2. Geringe toename van spiertonus (met daarna ontspanning)
1+. Geringe toename van spiertonus (weerstand blijft voelbaar)
3. Meer toename van spiertonus over grootste deel van het bewegingstraject. (makkelijk bewegen)
4. Aanzienlijke toename van spiertonus (moeilijk bewegen)
5. Aangedane lichaamsdeel vast in flexie/extensie
, BMD.CO.3 Inleiding CNA
CMN(cortex) en PMN(ruggenmerg) = sensormotoriek = kracht en gevoel
Basale kernen, hersenstam, cerebellum = sturing/coordinatie
Van basaal naar complex = archi, paleo, neo
Van basaal naar complex in centrale zenuwstelsel = ruggenmerg/hersenstam, basale
kernen, cortex
Cerebellum bevat alle onderdelen
Cortex = hersenen (bestaat uit verschillende kwabben)
- Frontale kwab met motorische cortex
o Motorische cortex voor output
- Pariëtale kwab met somatosensorische cortex
o Somatosensorische cortex voor input
- Occipitale kwab
- Temporale kwab
Neo-niveau = aansturing van basale kernen en ontremming
van ruggenmerg
De motorische (rood) en somatosensorische (groen) cortex hebben per onderdeel van
schade een functie. Helemaal in het midden van de cortex de benen. Topje = de armen.
Onderkant = gezicht, vooral de mond.
Basale kernen met thalamus (waar alle sensoren binnenkomen en bepaald welke
belangrijk zijn)
- cortex stuurt aan en basale kernen voeren uit
Paleo-niveau = automatische en emotionele motoriek, regelen van starten/stoppen van
bewegingen
Cerebellum: coördinatie (voor en tijdens de beweging)
- Archi = regelt evenwicht (in combinatie met oogmotoriek en houdingsregulatie
co)
- Paleo = regelt de in gang gezette bewegingen (dat het door blijft gaan)
- Neo = zorgt dat fijne motoriek goed verloopt
Hersenstam (gaan veel banen doorheen)
Archi-niveau = automatische levensfuncties (ademen/slikken/eten etc)
Ruggenmerg (met reflexen)
Archi-niveau = regelt reflexen en aansturing van spieren