2.1 Uitleg van begrippen
Taalverwerving: Bij taalverwerving is sprake van een proces waarin kinderen zich
vanzelf en spelenderwijs een taal eigen maken, zoals hun moedertaal.
Intentioneel: Bij een taal leren is sprake van intentioneel leren, het bewust leren
van een taal in een onderwijssituatie, zoals het leren van Engels in groep 7.
Moedertaal/ eerste taal: De moedertaal is de eerste taal (T1) die een kind
verwerft vanaf de geboorte, van de mensen tussen wie het opgroeit.
Tweede taal: De tweede taal (T2) is een taal die mensen leren in een omgeving
waar deze taal dominant is, terwijl zij zelf een andere taal spreken.
Vreemde taal: Een vreemde taal (VT) is een taal die men meestal leert in een
omgeving waar die taal niet wordt gesproken, bijvoorbeeld Frans op een
Nederlandse school.
Engels: Engels is in Nederland een vreemde taal maar heeft hier een aparte
positie, tussen tweede en vreemde taal in. Engels is een minder vreemde taal
dan bijvoorbeeld Frans, Duits of Spaans doordat kinderen in hun omgeving veel
Engels horen.
Tweetaligheid: Bij tweetaligheid gebruikt iemand regelmatig twee talen. Dat
betekent overigens niet dat tweetaligen beide talen even goed beheersen of in
iedere situatie even goed kunnen gebruiken.
Meertaligheid: Bij meertaligheid heeft iemand meerdere talen verworven. Iemand
die tweetalig is, is automatisch meertalig.
Halftaligheid: Met halftaligheid wordt bedoeld het op geringe wijze beheersen van
de moedertaal en de tweede taal door migrantenkinderen.
Dialect: Een dialect is een streekgebonden variëteit van de standaardtaal,
bijvoorbeeld Gronings of Drents.
Anderstaligheid: Anderstaligheid wordt in dit boek gebruikt voor de situatie
waarin leerlingen in het Nederlandse basisonderwijs een andere moedertaal
spreken dan Nederlands.
Lingua franca: Een lingua franca is een taal die wordt gebruikt als
gemeenschappelijke communicatietaal door sprekers van verschillende talen.
Globish: Het is geen taal maar een communicatiemiddel, dat wil zeggen: een
eenvoudige versie van het Engels met een vocabulaire van slechts 1500
woorden.
, Native speakers: Een native speaker van een bepaalde taal, heeft die taal als
moedertaal.
Near native speaker: Een near native speaker van een bepaalde taal spreekt die
taal bijna net zo goed als een native speaker, op niveau C1 of C2 van het
Europees Referentiekader, maar is niet de moedertaal.
2.2 Verwerven van de moedertaal
Moedertaalverwerving vindt plaats in een aantal stadia, tussen de leeftijd van 0
en 7 jaar. De functionele hersengebieden die de basis vormen voor het gebruik
van taal zijn:
De gebieden voor het begrijpen van taal: klankherkenning,
woordgeheugen en zinsbegrip.
De gebieden voor het produceren van taal: klankproductie, woordvorming
en zinsvorming.
Klankherkenning
In het eerste levensjaar start de ontwikkeling van het klankgeheugen waardoor
kinderen (eerst) klanken kunnen herkennen en (daarna) klanken kunnen
produceren. Taalaanbod is onmisbaar voor een goede opbouw van het
klankgeheugen.
Klankproductie
Het spreken volgt de motorische ontwikkeling van lippen, tong en gehemelte. De
eerste klanken die baby’s produceren zijn nog niet erg talig; het zijn klanken
zoals bababa, mamamama. De ‘a’ is kennelijk een makkelijke klank om te
maken.
Woordgeheugen
Om te kunnen praten, heeft een kind woorden nodig. In het tweede levensjaar
start de ontwikkeling van het woordgeheugen (woordherkenning en
woordvorming) en de woordproductie. Vanaf de woordherkenning gaat het kind
een woordenboek opbouwen, tenminste als het voldoende taalaanbod krijgt.
Zinsvorming
Met woorden alleen kan een kind niet goed communiceren, ook de zinsvorming
moet goed op gang komen. In het derde levensjaar begrijpen kinderen de
verbanden tussen verschillende woorden (zinsbegrip) en start de ontwikkeling
van de zinsproductie.
2.3 Taalleervermogen en taalproblemen
2.3.1 Vermogen om een taal te leren en te verwerven