NEDERLANDS POËZIE PIEN VAN DER HEIJDEN
SOPHIE VAN DEN BERK
BOEKOPDRACHT KIRSTI WORTELBOER
5VC
, Duif
Het had geonweerd en de straat was nat,
het asfalt lag als water aan de oever
van het trottoir, waar plechtig trad
een duif en koerde als een kind, maar droever.
De hemel boven ’t park werd licht,
de bomen stonden groen, afzonderlijk
en ieder leek een bos, zo bol zo wonderlijk
en in zichzelf gekeerd, prevelend opgericht.
Ik liep te kijken in de korte stille straat
en zag de duif, de kleur van onweer op zijn vleugels
en poten roze als de dageraad.
-1 beeldspraak:
Vergelijking, zin 2: ‘het asfalt lag als water aan de oever’
à het natte asfalt wordt vergeleken met water dat aan de oever ligt. Dus
geeft het als beeld dat de straat heel nat was.
Vergelijking, zin 4: ‘een duif en koerde als een kind, maar droever’
à de koerende duif wordt vergeleken met een kind. Bij een kind die zou
huilen zou je het zielig vinden, dus hiermee geven ze aan dat de duif die
aan het koerden was heel zielig is.
Metafoor, zin 10: ‘de kleur van onweer op zijn vleugels’
à met de kleur van onweer op zijn vleugels wordt figuurlijk bedoeld, want
onweer is een grijs grauwe kleur en zo zijn de vleugels van een duif.
Metafoor, zin 11: ‘en poten roze als de dageraad.’
à met de poten roze als de dageraad wordt figuurlijk bedoeld, want
dageraad is een roze kleur in de lucht en zo zijn de poten van de duif.
Personificatie, zin 2: ‘Het asfalt lag als water aan de oever’
à in deze zin wordt gezegd het dat het asfalt lag, mensen kunnen liggen
alleen dus is het een personificatie.
Personificatie, zin 6: ‘de bomen stonden groen, afzonderlijk’
à in deze zin staat er bomen stonden en dat is iets wat mensen doen dus
een personificatie.
-2 stijlfiguren:
Opsomming, zin 6: ‘de bomen stonden groen, afzonderlijk’
SOPHIE VAN DEN BERK
BOEKOPDRACHT KIRSTI WORTELBOER
5VC
, Duif
Het had geonweerd en de straat was nat,
het asfalt lag als water aan de oever
van het trottoir, waar plechtig trad
een duif en koerde als een kind, maar droever.
De hemel boven ’t park werd licht,
de bomen stonden groen, afzonderlijk
en ieder leek een bos, zo bol zo wonderlijk
en in zichzelf gekeerd, prevelend opgericht.
Ik liep te kijken in de korte stille straat
en zag de duif, de kleur van onweer op zijn vleugels
en poten roze als de dageraad.
-1 beeldspraak:
Vergelijking, zin 2: ‘het asfalt lag als water aan de oever’
à het natte asfalt wordt vergeleken met water dat aan de oever ligt. Dus
geeft het als beeld dat de straat heel nat was.
Vergelijking, zin 4: ‘een duif en koerde als een kind, maar droever’
à de koerende duif wordt vergeleken met een kind. Bij een kind die zou
huilen zou je het zielig vinden, dus hiermee geven ze aan dat de duif die
aan het koerden was heel zielig is.
Metafoor, zin 10: ‘de kleur van onweer op zijn vleugels’
à met de kleur van onweer op zijn vleugels wordt figuurlijk bedoeld, want
onweer is een grijs grauwe kleur en zo zijn de vleugels van een duif.
Metafoor, zin 11: ‘en poten roze als de dageraad.’
à met de poten roze als de dageraad wordt figuurlijk bedoeld, want
dageraad is een roze kleur in de lucht en zo zijn de poten van de duif.
Personificatie, zin 2: ‘Het asfalt lag als water aan de oever’
à in deze zin wordt gezegd het dat het asfalt lag, mensen kunnen liggen
alleen dus is het een personificatie.
Personificatie, zin 6: ‘de bomen stonden groen, afzonderlijk’
à in deze zin staat er bomen stonden en dat is iets wat mensen doen dus
een personificatie.
-2 stijlfiguren:
Opsomming, zin 6: ‘de bomen stonden groen, afzonderlijk’