Workshop 1
de belangrijkste organisatieniveaus in levende organismen herkennen en
benoemen;
de orgaanstelsels van het menselijk lichaam en de belangrijkste
onderdelen en functies van elk stelsel herkennen en benoemen;
medische terminologie hanteren met betrekking tot het menselijk lichaam;
1. Prokaryoten (geen celkern) = Bacteriën
2. Eukaryoot (Volledige cel dus kern, wand en organellen) = Dieren, Planten,
Schimmels
3. Virussen (geen metabolisme)
- Basale functies van levende wezens
1. Reactievermogen (kortdurend, snel) en aanpassingsvermogen
(langdurig, langzaam)
2. Groei: toename grootte, aantal van cellen & differentiatie
3. Voortplanting
4. Beweging: inwendig (transport) en uitwendig (voortbeweging)
5. Stofwisseling (metabolisme): chemische reacties
IN: zuurstof en voedingsstoffen
UIT: afvalstoffen (CO2, ontlasting)
Stofwisseling is nodig om vitale functies 1 t/m 4 mogelijk te
maken
- Diëtist is een paramedicus
Ziet patienten
Stelt (mede) diagnoses
Mag sinds 1 jaar zelfstandig laboratorium-onderzoek aanvragen
Doet behandeling
Draagt bij aan genezing van ziekten
- Anatomie = Leer van de structuur
Macroscopisch: Organen
Microscopisch
Cytologie: celleer
Histologie: weefselleer
- Fysiologie = Leer van de functie
Chemisch niveau (atomen en moleculen), celniveau (cellen), weefselniveau
(weefsels), orgaanniveau (organen en orgaanstelsels), organisme
- Patho(fysio)logie (Pathos = ziekte) = aandoeningen
Ziekte = Een afwijking in de normale fysiologie die niet (voldoende) door
homeostatische mechanismen kan worden gecompenseerd
- Symptomatologie
Symptomen zijn de subjectieve ervaringen van deze disbalans door de patiënt
vb: ‘Ik voel me misselijk, heb maagpijn en geen trek’
- Diagnose = Uitkomst onderzoek
Diagnostiek wordt gedaan om de objectief waarneembare of meetbare fysieke
indicaties van ziekte in kaart te brengen
vb: ‘De weefselcoupe van de maagwand toont ontsteking in de maagwandcellen
aan’