2.1
Vier krachten vormen de start van de organisatieontwikkeling:
1. De protestants-christelijke ethiek t.a.v. Arbeid
2. Het kapitalisme en de opleiding van arbeid
3. De industriële revolutie
4. Het productiviteitsprobleem
De protestants-christelijke ethiek t.a.v. Arbeid :
– Luther en Calvijn
– Protestants-christelijke werkethiek = In plaats van passief betere tijden na de
dood af te wachten, moeten mensen juist hun roepingen op aarde waarmaken door
noeste arbeid en onzelfzuchtige inzet.
– Creëerde een nieuw tijdperk van zelfcontrole, verantwoordelijkheid en
individualisme.
– Leidde tot bedrijvigheid en de vraag naar kennis van optimale organisatievormen.
Het kapitalisme en de opleiding van arbeid :
– Adam Smith beschreef als eerste het kapitalisme.
– De basiselementen van het kapitalisme :
1. Bepaling door natuurlijke wetten van vraag en aanbod en vrije concurrentie
2. Ieder individu is vrij in het vergaren van rijkdom
3. Eigendomsrechten
4. Opleiding van arbeid leidt tot specialisatie van de productiviteit
– Specialisatie = De opleiding van arbeid in kleinere delen en het vervolgens zich
laten specialiseren van de werknemers in een van die kleinere delen (Adam Smith)
De industriële revolutie :
– Industriële revolutie = Start industrialisatie, die ook een stroomversnelling inhield
voor de organisatiekunde.
– James Watt
– De toenemende aantallen werknemers vormen een derde factor voor de studie van
optimale organisatievormen en organisatietechnieken.
Het productiviteitsprobleem :
– Productiviteitsprobleem = In plaats van een geleidelijke verandering ontstond er
aan het begin van de twintigste eeuw in de industrie een turbulente mix van
verschillende gedachten over technologie, ondernemingsgrootte en werkmethoden.
– Schaalvoordelen = De (economische) voordelen die ontstaan bij het vergroten van
de productie.
– Paradigma = Wereldbeeld
, 7 Stromingen organisatiekunde :
1. Klassieke organisatiekunde (v.a. 1890)
2. Gedragskundige benadering (v.a. 1930)
3. Revisionisme (v.a. 1950)
4. Systeembenadering (v.a. 1950)
5. Contigentiebendadering (v.a. 1960)
6. Totale kwaliteitszorg (v.a. 1980)
7. De lerende organisatie (v.a. 1990)
2.2
1. Klassieke organisatiekunde :
– Rol manager versus de gezagsverhoudingen
– Frederick Taylor : scientific management
– Frank Gilbreths: scientific management
– Henri Fayol : algemene managementtheorie
– Max Weber: bureaucratie
Het scientific management van Taylor :
– Taylor was van mening dat leidinggeven een kwestie was van het toepassen van
wetenschappelijk verantwoorde methoden en technieken.
– Scientific management = Managementtheorie die zich richt op e verbetering van
de efficiëntie van bedrijfsactiviteiten – voornamelijk op een laag (productie)niveau –
door systematische en wetenschappelijke studie van werkmethoden,
gereedschappen en productiviteitsstandaarden (Frederick Taylor).
– Werkmethoden onderzoek = (Methodestudie) Onderzoek naar gebruikte versus
optimale werkmethoden (Taylor en de Gilbreths).