OEFENEN
Hoofdstuk 5:
Prefixes and suffixes
Prefixes worden voor een woord neergezet:
Non- / un- / im- / il- / in- / ir-
Dit wordt gebruikt om de tegenovergestelde betekenis van een woord te geven.
Bijvoorbeeld:
Unwelcome niet welkom.
Illogical niet logisch
Re-
Betekent opnieuw of terug.
Bijvoorbeeld:
Reminder herinnering (ik krijg opnieuw een herinnering).
Response antwoord (ik krijg antwoord terug).
Mis- / dis-
Dit wordt gebruikt om een negatieve of tegenovergestelde betekenis aan een woord te geven.
Bijvoorbeeld:
Disconnect niet verbonden (tegenovergestelde betekenis aan het woord geven).
Mistake vergissing (negatieve betekenis aan het woord geven).
Suffixes worden achter een woord geplakt:
-er
Wordt gebruikt voor een persoon of ding wat iets doet.
-ness
Wordt gebruikt om een bijwoord een zelfstandig naamwoord te maken.
-ing
Wordt gebruikt om een product, materiaal of werkwoord een zelfstandig naamwoord te maken.
-ment
Wordt gebruikt om een werkwoord een zelfstandig naamwoord te maken.
Passice voice
Active voice Passive voice
Present simple She drives the car. The car is driven
Present continuous She is driving the car. The is being driving. (by her)
Past simple We played the game. The game was played. (by us)
Past continuous She was driving the car. The car was being driven. (by
her)
Present perfect She has driven the car. The car has been driven. (by
her)