Antwoorden SO H6 Totaal 24,5 punten; aantal x .5 = cijfer
Vraag 1
a. Een soort is een groep organismen die zich onderling kan voortplanten en vruchtbare
nakomelingen kan krijgen (1p)
b. Ja, wanneer de twee groepen (van 1 soort) zich onderling kunnen voortplanten (tijdens de visite)
spreek je van één populatie (1p) óf ja, als ze bij elkaar op bezoek gaan zijn ze in hetzelfde
leefgebied.
Vraag 2
A (2p)
Vraag 3
Abiotische factor: mineraalconcentraties worden overschreden (of pH)
Biotische factor: (door bemesting ontstaat) concurrentie met andere soorten (2p)
Vraag 4
Er ontstaan vruchtbare nakomelingen óf er is uitwisseling van erfelijk materiaal mogelijk tussen de
twee groepen (1p)
Vraag 5
De twee groepen leven gescheiden van elkaar (op verschillende gastheerplanten) óf er zijn weinig
mogelijkheden tot uitwisseling van erfelijk materiaal tussen de groepen (1p)
Vraag 6
a. Vijf geslachten, zes soorten (1p)
b. Vogelkers en Amerikaanse vogelkers (Prunus) (1p)
Vraag 7
a. Loofbomen (=boom met blad) verliezen hun bladeren (1p) en de abiotische factor is licht (1p)
b. In het voorjaar hebben loofbomen nog geen bladeren en valt er genoeg licht op de grond (1p)
Vraag 8
a. juist ; b juist ; c. onjuist (1,5 punt)
Vraag 9
B (2p) ; de plaag blijft aanwezig.
Antwoord C is fout, omdat de Japanse oester geen predator is, de grafiek geeft een prooi-predator-
relatie weer. De Zeeuwse oester neemt niet meer toe, want de larven worden gegeten en de Japanse
oester moet niet meer afnemen.
Vraag 10
Starten met horizontale lijn ergens halverwege y-as en vanaf tijdstip t lijn naar beneden (1p)
Vraag 11
a. x-as temperatuur in 0C (1p) ; Y-as % overleving (1p)
Vis A minimum 5 graden, optimum bij 20 graden en maximum bij 30 graden
Vis B minimum 5 graden, optimum bij 15 graden en maximum bij 25 graden
Trek lijn voor vis A en B als optimumcurve (1p)
b. Vissoort A (de uiterste waarden voor temperatuur liggen verder uit elkaar) (1p)
Vraag 1
a. Een soort is een groep organismen die zich onderling kan voortplanten en vruchtbare
nakomelingen kan krijgen (1p)
b. Ja, wanneer de twee groepen (van 1 soort) zich onderling kunnen voortplanten (tijdens de visite)
spreek je van één populatie (1p) óf ja, als ze bij elkaar op bezoek gaan zijn ze in hetzelfde
leefgebied.
Vraag 2
A (2p)
Vraag 3
Abiotische factor: mineraalconcentraties worden overschreden (of pH)
Biotische factor: (door bemesting ontstaat) concurrentie met andere soorten (2p)
Vraag 4
Er ontstaan vruchtbare nakomelingen óf er is uitwisseling van erfelijk materiaal mogelijk tussen de
twee groepen (1p)
Vraag 5
De twee groepen leven gescheiden van elkaar (op verschillende gastheerplanten) óf er zijn weinig
mogelijkheden tot uitwisseling van erfelijk materiaal tussen de groepen (1p)
Vraag 6
a. Vijf geslachten, zes soorten (1p)
b. Vogelkers en Amerikaanse vogelkers (Prunus) (1p)
Vraag 7
a. Loofbomen (=boom met blad) verliezen hun bladeren (1p) en de abiotische factor is licht (1p)
b. In het voorjaar hebben loofbomen nog geen bladeren en valt er genoeg licht op de grond (1p)
Vraag 8
a. juist ; b juist ; c. onjuist (1,5 punt)
Vraag 9
B (2p) ; de plaag blijft aanwezig.
Antwoord C is fout, omdat de Japanse oester geen predator is, de grafiek geeft een prooi-predator-
relatie weer. De Zeeuwse oester neemt niet meer toe, want de larven worden gegeten en de Japanse
oester moet niet meer afnemen.
Vraag 10
Starten met horizontale lijn ergens halverwege y-as en vanaf tijdstip t lijn naar beneden (1p)
Vraag 11
a. x-as temperatuur in 0C (1p) ; Y-as % overleving (1p)
Vis A minimum 5 graden, optimum bij 20 graden en maximum bij 30 graden
Vis B minimum 5 graden, optimum bij 15 graden en maximum bij 25 graden
Trek lijn voor vis A en B als optimumcurve (1p)
b. Vissoort A (de uiterste waarden voor temperatuur liggen verder uit elkaar) (1p)