Franse revolutie
Rousseau en Locke vonden dat het volk in de staat de hoogste macht had, maar Rousseau
vond dat deze macht zelf uitgeoefend moest worden. Hij was ook voorstander van de directe
democratie.
In de 17e eeuw ontstond het mercantilisme, dit ging ervan uit dat de hoeveelheid goederen
in de wereld vastlag en dat elk volk zoveel mogelijk voor zichzelf moet bemachtigen. Adam
Smith was hier een tegenstander van.
In de achtiende eeuw veranderde de politieke cultuur, verlichte ideeën borrelden op en
koningen konden deze meningen niet meer negeren. Veel vorsten streefden naar absolute
macht en beriepen zich op het droit divin (het goddelijk recht). Koningen lieten boeken en
kranten op hun inhoud controleren, de ambtenaren die dit deden hadden zelf vaak verlichte
ideeën dus ze pasten de censuur niet erg streng toe.
Sommige koningen pasten deze verlichte ideeën wel toe, maar tegelijkertijd stond het
absolutisme voor hen niet ter discussie. Dit heet verlicht absolutisme.
In de Amerikaanse grondwet was vastgesteld dat alle burgers dezelfde rechten hadden. Al
kon alleen 6% van de bevolking stemmen en golden deze rechten niet voor slaven omdat zij
niet als burgers gezien werden. De inheemse bewoners van Amerika bezaten ook geen
grondrechten.
In Frankrijk bestond in de late achttiende eeuw een standenmaatschappij, iemands afkomst
en geboorteplaats bepaalden de rechten en plichten die hij binnen de samenleving had.
Deze standen waren weer verdeeld in een soort eigen standenstelsel. Boeren vormden het
grootste deel van de derde stand, deze boeren moesten pacht betalen aan de koning en de
kerk. In de steden bestond de derde stand uit armen, bedelaars, prostituees en zwervers.
Door verlichte ideeën bestond er een verzet tegen deze standenmaatschappij. De politiek
werd veel besproken en er kwam veel onenigheid over de manier van stemmen. Uiteindelijk
werd er een grondwet opgesteld.
Op 14 juli bestormden Parijzenaren de Bastille, onder druk werden alle burgers voor de wet
gelijk. Hierna volgde de Verklaring van de Rechten van Mens en de Burger. In 1791 werd de
Grondwet aangenomen en werd Frankrijk een constitutionele monarchie.
Na deze revolutie waren deze problemen nog niet verdwenen, er was nog een hoge
staatsschuld en inflatie en werkloosheid waren hoog. De Franse revolutionisten
verspreidden hun ideeën verder tot een tweede revolutie die de koning ten val bracht. Er
werd een Republiek uitgeroepen en het algemeen mannenkiesrecht werd ingevoerd.
Antirevolutionairen waren nu in gevaar en in 1794 werd Maximilien de Robespierre ter dood
gebracht.
Na deze revoluties kwamen gematigde revolutionairen aan de macht en ze stelden het
censuskiesrecht weer in. De uitvoerende macht kwam in handen van vijf mannen (de
directeuren). Napoléon Bonaparte pleegde in 1799 een staatsgreep en kwam aan de macht.
Rousseau en Locke vonden dat het volk in de staat de hoogste macht had, maar Rousseau
vond dat deze macht zelf uitgeoefend moest worden. Hij was ook voorstander van de directe
democratie.
In de 17e eeuw ontstond het mercantilisme, dit ging ervan uit dat de hoeveelheid goederen
in de wereld vastlag en dat elk volk zoveel mogelijk voor zichzelf moet bemachtigen. Adam
Smith was hier een tegenstander van.
In de achtiende eeuw veranderde de politieke cultuur, verlichte ideeën borrelden op en
koningen konden deze meningen niet meer negeren. Veel vorsten streefden naar absolute
macht en beriepen zich op het droit divin (het goddelijk recht). Koningen lieten boeken en
kranten op hun inhoud controleren, de ambtenaren die dit deden hadden zelf vaak verlichte
ideeën dus ze pasten de censuur niet erg streng toe.
Sommige koningen pasten deze verlichte ideeën wel toe, maar tegelijkertijd stond het
absolutisme voor hen niet ter discussie. Dit heet verlicht absolutisme.
In de Amerikaanse grondwet was vastgesteld dat alle burgers dezelfde rechten hadden. Al
kon alleen 6% van de bevolking stemmen en golden deze rechten niet voor slaven omdat zij
niet als burgers gezien werden. De inheemse bewoners van Amerika bezaten ook geen
grondrechten.
In Frankrijk bestond in de late achttiende eeuw een standenmaatschappij, iemands afkomst
en geboorteplaats bepaalden de rechten en plichten die hij binnen de samenleving had.
Deze standen waren weer verdeeld in een soort eigen standenstelsel. Boeren vormden het
grootste deel van de derde stand, deze boeren moesten pacht betalen aan de koning en de
kerk. In de steden bestond de derde stand uit armen, bedelaars, prostituees en zwervers.
Door verlichte ideeën bestond er een verzet tegen deze standenmaatschappij. De politiek
werd veel besproken en er kwam veel onenigheid over de manier van stemmen. Uiteindelijk
werd er een grondwet opgesteld.
Op 14 juli bestormden Parijzenaren de Bastille, onder druk werden alle burgers voor de wet
gelijk. Hierna volgde de Verklaring van de Rechten van Mens en de Burger. In 1791 werd de
Grondwet aangenomen en werd Frankrijk een constitutionele monarchie.
Na deze revolutie waren deze problemen nog niet verdwenen, er was nog een hoge
staatsschuld en inflatie en werkloosheid waren hoog. De Franse revolutionisten
verspreidden hun ideeën verder tot een tweede revolutie die de koning ten val bracht. Er
werd een Republiek uitgeroepen en het algemeen mannenkiesrecht werd ingevoerd.
Antirevolutionairen waren nu in gevaar en in 1794 werd Maximilien de Robespierre ter dood
gebracht.
Na deze revoluties kwamen gematigde revolutionairen aan de macht en ze stelden het
censuskiesrecht weer in. De uitvoerende macht kwam in handen van vijf mannen (de
directeuren). Napoléon Bonaparte pleegde in 1799 een staatsgreep en kwam aan de macht.