Nederlands examen vwo 2022
Betogende tekst (betoog):
Een tekst of tekstgedeelte waarin de schrijver of spreker een beargumenteerd standpunt inneemt.
Het betoog heeft als doel de lezer van het standpunt te overtuigen.
Beschouwende tekst (beschouwing):
Een tekst of tekstgedeelte waarin de schrijver of spreker interpretaties, verklaringen en opinies ter
overweging aanbiedt.
De beschouwing heeft als doel de lezer over een kwestie te laten nadenken. Een beschouwing kan
ook de argumenten voor en tegen een of meer standpunten behandelen, maar is er niet op gericht
de lezer voor een van die standpunten te winnen.
Uiteenzettende tekst (uiteenzetting):
Een tekst of tekstgedeelte waarin de schrijver of spreker iets uitlegt, beschrijft, verklaart of
meedeelt. De uiteenzetting heeft als doel de lezer te informeren over een stand van zaken of gang
van zaken.
Standpunt:
Een uitspraak die op twijfel of tegenspraak stuit of zou kunnen stuiten volgens de schrijver of
spreker. Ook: stelling(name), bewering, mening. Een standpunt kan in een tekst impliciet zijn: dat wil
zeggen dat het standpunt niet in de tekst is geformuleerd maar er wel uit afgeleid kan worden.
Argument:
Een uitspraak waarmee een schrijver of spreker een standpunt onderbouwt.
Een argument dient om het standpunt aanvaardbaar of aanvaardbaarder te maken; de bedoeling
ervan is de twijfelaars of tegenstanders te overtuigen van het standpunt.
Tegenargument:
Een uitspraak waarmee een schrijver of spreker een standpunt of een argument probeert te
weerleggen of te ontkrachten.
Een tegenargument dient om een standpunt of een argument minder aanvaardbaar te maken.
Argumentatie:
Het standpunt en het geheel van argumenten dat het standpunt ondersteunt (argumenten) of
ontkracht (tegenargumenten).
Argumentatiestructuur:
Een weergave van de wijze waarop in een tekst of tekstdeel argumenten met elkaar en met het
standpunt samenhangen.
Enkelvoudige argumentatie:
Een argumentatie die bestaat uit één argument en één standpunt.
Onderschikkende argumentatie:
Een argumentatie waarin een argument wordt ondersteund door één of meer subargumenten. Ook:
ketenargumentatie.
Nevenschikkende argumentatie:
Een argumentatie waarin twee of meer argumenten gezamenlijk het standpunt ondersteunen. De
argumenten in nevenschikkende argumentatie kunnen afhankelijk zijn (ze zijn samen nodig om het
standpunt te ondersteunen) of onafhankelijk (ze vormen ieder op zich een zelfstandig argument
voor het standpunt).
,Argumentatieschema:
Een argumentatieschema geeft de aard aan van het verband tussen een standpunt en een argument.
We onderscheiden de volgende argumentatieschema’s:
Argumentatie op basis van oorzaak en gevolg:
De schrijver of spreker wijst op een of meer gevolgen om de waarschijnlijkheid van een oorzaak te
onderbouwen of op een of meer oorzaken om de waarschijnlijkheid van een gevolg te
onderbouwen.
Argumentatie op basis van kenmerk of eigenschap:
De schrijver of spreker geeft een of meer kenmerkende eigenschappen van een persoon, object of
verschijnsel om een standpunt over een andere eigenschap te onderbouwen.
Argumentatie op basis van voor- en nadelen:
De schrijver of spreker geeft voor- en/of nadelen van een voorgestelde actie of handeling om een
standpunt over de (on)wenselijkheid ervan te onderbouwen.
Argumentatie op basis van voorbeelden:
De schrijver of spreker geeft voorbeelden van het optreden van een eigenschap of verschijnsel om
een standpunt over het algemener voorkomen van die eigenschap of dat verschijnsel te
onderbouwen.
Argumentatie op basis van vergelijking:
De schrijver of spreker maakt een vergelijking tussen twee situaties; op grond van wat in de ene
situatie (on)waarschijnlijk of (on)gepast is, onderbouwt hij een standpunt over wat in de andere
situatie (on)waarschijnlijk of (on)gepast is.
Argumentatie op basis van autoriteit:
De schrijver of spreker beroept zich op een uitspraak van een deskundige en betrouwbare bron om
een standpunt te onderbouwen. Ook: argumentatie op basis van een gezaghebbende bron.
Soorten argumenten
Uitspraken die als argument kunnen dienen zijn er in allerlei soorten. We onderscheiden feitelijke
en waarderende uitspraken.
Feitelijke uitspraken:
Een uitspraak waarvan degene die hem doet, claimt dat hij waar, waarschijnlijk of aannemelijk is. Er
is sprake van een feit wanneer een feitelijke uitspraak waar is.
Waarderende uitspraken:
Een niet-feitelijke uitspraak, dat wil zeggen een uitspraak over wat goed of slecht, mooi of lelijk,
waardevol of waardeloos, wenselijk of onwenselijk, gepast of ongepast is.
Aanvaardbaarheid van argumentatie
Argumentatie is aanvaardbaar als
- de gegeven argumenten op zichzelf aanvaardbaar en relevant zijn,
- de argumenten onderling consistent zijn,
- de argumenten samen toereikend zijn voor het ingenomen standpunt.
, Aanvaardbaarheid van feitelijke uitspraken
Een feitelijke uitspraak is aanvaardbaar voor de lezer of gesprekspartner:
- wanneer hij in overeenstemming is met zijn of haar kennis van de wereld of
- wanneer hij direct controleerbaar is en daarbij waar blijkt te zijn of
- wanneer hij afkomstig is van een betrouwbare bron.
Controleerbaarheid van feitelijke uitspraken:
Feitelijke uitspraken zijn controleerbaar wanneer het (in principe) mogelijk is ze door empirische
waarneming te toetsen.
Betrouwbaarheid van bronnen
De bron van een uitspraak is betrouwbaar als:
- deze deskundig is op het terrein van de uitspraak,
- deze geen belang heeft bij de acceptatie ervan, en
- deze zichzelf niet tegenspreekt.
Aanvaardbaarheid van waarderende uitspraken:
Een waarderende uitspraak is aanvaardbaar wanneer hij in overeenstemming is met de kennis en
opvattingen de beoordelaar.
Relevantie van argumenten:
Een argument is relevant wanneer aanvaarding ervan het standpunt aannemelijker maakt.
Consistentie van argumentatie:
Argumentatie is consistent wanneer de geleverde argumenten elkaar niet tegenspreken.
Toereikendheid van argumentatie:
Argumentatie is toereikend (of voldoende) wanneer het geleverde argument of de geleverde
argumenten samen een standpunt aanvaardbaar maken.
Drogredenen:
Onjuist gebruik van een argumentatieschema of een overtreding van een discussieregel.
Van een onjuist gebruik van een argumentatieschema is onder andere sprake bij de volgende
drogredenen:
Onjuist beroep op een oorzaak-gevolgschema:
Het argumentatieschema op basis van oorzaak en gevolg wordt onjuist gebruikt als:
- de in het argument genoemde oorzaken niet voldoende zijn voor het optreden van het voorspelde
gevolg of
- het in het argument genoemde gevolg andere oorzaken kan hebben dan de in het standpunt
genoemde oorzaak of
- alleen op basis van het gelijktijdig of na elkaar optreden van twee verschijnselen geconcludeerd
wordt tot een oorzaak-gevolgrelatie tussen die verschijnselen.
Onjuist beroep op een kenmerk- of eigenschapsschema:
Het argumentatieschema op basis van een kenmerk of eigenschap wordt onjuist gebruikt als aan een
bepaald kenmerk of eigenschap wel betekenis wordt toegekend, terwijl andere relevante
kenmerken of eigenschappen worden genegeerd.
Onjuist beroep op een voor-en-nadelenschema:
Overdrijven van voor- of nadelen
Het argumentatieschema op basis van voor- en nadelen wordt onjuist gebruikt als het gevolg of de
gevolgen van een handeling schromelijk worden overdreven.
Betogende tekst (betoog):
Een tekst of tekstgedeelte waarin de schrijver of spreker een beargumenteerd standpunt inneemt.
Het betoog heeft als doel de lezer van het standpunt te overtuigen.
Beschouwende tekst (beschouwing):
Een tekst of tekstgedeelte waarin de schrijver of spreker interpretaties, verklaringen en opinies ter
overweging aanbiedt.
De beschouwing heeft als doel de lezer over een kwestie te laten nadenken. Een beschouwing kan
ook de argumenten voor en tegen een of meer standpunten behandelen, maar is er niet op gericht
de lezer voor een van die standpunten te winnen.
Uiteenzettende tekst (uiteenzetting):
Een tekst of tekstgedeelte waarin de schrijver of spreker iets uitlegt, beschrijft, verklaart of
meedeelt. De uiteenzetting heeft als doel de lezer te informeren over een stand van zaken of gang
van zaken.
Standpunt:
Een uitspraak die op twijfel of tegenspraak stuit of zou kunnen stuiten volgens de schrijver of
spreker. Ook: stelling(name), bewering, mening. Een standpunt kan in een tekst impliciet zijn: dat wil
zeggen dat het standpunt niet in de tekst is geformuleerd maar er wel uit afgeleid kan worden.
Argument:
Een uitspraak waarmee een schrijver of spreker een standpunt onderbouwt.
Een argument dient om het standpunt aanvaardbaar of aanvaardbaarder te maken; de bedoeling
ervan is de twijfelaars of tegenstanders te overtuigen van het standpunt.
Tegenargument:
Een uitspraak waarmee een schrijver of spreker een standpunt of een argument probeert te
weerleggen of te ontkrachten.
Een tegenargument dient om een standpunt of een argument minder aanvaardbaar te maken.
Argumentatie:
Het standpunt en het geheel van argumenten dat het standpunt ondersteunt (argumenten) of
ontkracht (tegenargumenten).
Argumentatiestructuur:
Een weergave van de wijze waarop in een tekst of tekstdeel argumenten met elkaar en met het
standpunt samenhangen.
Enkelvoudige argumentatie:
Een argumentatie die bestaat uit één argument en één standpunt.
Onderschikkende argumentatie:
Een argumentatie waarin een argument wordt ondersteund door één of meer subargumenten. Ook:
ketenargumentatie.
Nevenschikkende argumentatie:
Een argumentatie waarin twee of meer argumenten gezamenlijk het standpunt ondersteunen. De
argumenten in nevenschikkende argumentatie kunnen afhankelijk zijn (ze zijn samen nodig om het
standpunt te ondersteunen) of onafhankelijk (ze vormen ieder op zich een zelfstandig argument
voor het standpunt).
,Argumentatieschema:
Een argumentatieschema geeft de aard aan van het verband tussen een standpunt en een argument.
We onderscheiden de volgende argumentatieschema’s:
Argumentatie op basis van oorzaak en gevolg:
De schrijver of spreker wijst op een of meer gevolgen om de waarschijnlijkheid van een oorzaak te
onderbouwen of op een of meer oorzaken om de waarschijnlijkheid van een gevolg te
onderbouwen.
Argumentatie op basis van kenmerk of eigenschap:
De schrijver of spreker geeft een of meer kenmerkende eigenschappen van een persoon, object of
verschijnsel om een standpunt over een andere eigenschap te onderbouwen.
Argumentatie op basis van voor- en nadelen:
De schrijver of spreker geeft voor- en/of nadelen van een voorgestelde actie of handeling om een
standpunt over de (on)wenselijkheid ervan te onderbouwen.
Argumentatie op basis van voorbeelden:
De schrijver of spreker geeft voorbeelden van het optreden van een eigenschap of verschijnsel om
een standpunt over het algemener voorkomen van die eigenschap of dat verschijnsel te
onderbouwen.
Argumentatie op basis van vergelijking:
De schrijver of spreker maakt een vergelijking tussen twee situaties; op grond van wat in de ene
situatie (on)waarschijnlijk of (on)gepast is, onderbouwt hij een standpunt over wat in de andere
situatie (on)waarschijnlijk of (on)gepast is.
Argumentatie op basis van autoriteit:
De schrijver of spreker beroept zich op een uitspraak van een deskundige en betrouwbare bron om
een standpunt te onderbouwen. Ook: argumentatie op basis van een gezaghebbende bron.
Soorten argumenten
Uitspraken die als argument kunnen dienen zijn er in allerlei soorten. We onderscheiden feitelijke
en waarderende uitspraken.
Feitelijke uitspraken:
Een uitspraak waarvan degene die hem doet, claimt dat hij waar, waarschijnlijk of aannemelijk is. Er
is sprake van een feit wanneer een feitelijke uitspraak waar is.
Waarderende uitspraken:
Een niet-feitelijke uitspraak, dat wil zeggen een uitspraak over wat goed of slecht, mooi of lelijk,
waardevol of waardeloos, wenselijk of onwenselijk, gepast of ongepast is.
Aanvaardbaarheid van argumentatie
Argumentatie is aanvaardbaar als
- de gegeven argumenten op zichzelf aanvaardbaar en relevant zijn,
- de argumenten onderling consistent zijn,
- de argumenten samen toereikend zijn voor het ingenomen standpunt.
, Aanvaardbaarheid van feitelijke uitspraken
Een feitelijke uitspraak is aanvaardbaar voor de lezer of gesprekspartner:
- wanneer hij in overeenstemming is met zijn of haar kennis van de wereld of
- wanneer hij direct controleerbaar is en daarbij waar blijkt te zijn of
- wanneer hij afkomstig is van een betrouwbare bron.
Controleerbaarheid van feitelijke uitspraken:
Feitelijke uitspraken zijn controleerbaar wanneer het (in principe) mogelijk is ze door empirische
waarneming te toetsen.
Betrouwbaarheid van bronnen
De bron van een uitspraak is betrouwbaar als:
- deze deskundig is op het terrein van de uitspraak,
- deze geen belang heeft bij de acceptatie ervan, en
- deze zichzelf niet tegenspreekt.
Aanvaardbaarheid van waarderende uitspraken:
Een waarderende uitspraak is aanvaardbaar wanneer hij in overeenstemming is met de kennis en
opvattingen de beoordelaar.
Relevantie van argumenten:
Een argument is relevant wanneer aanvaarding ervan het standpunt aannemelijker maakt.
Consistentie van argumentatie:
Argumentatie is consistent wanneer de geleverde argumenten elkaar niet tegenspreken.
Toereikendheid van argumentatie:
Argumentatie is toereikend (of voldoende) wanneer het geleverde argument of de geleverde
argumenten samen een standpunt aanvaardbaar maken.
Drogredenen:
Onjuist gebruik van een argumentatieschema of een overtreding van een discussieregel.
Van een onjuist gebruik van een argumentatieschema is onder andere sprake bij de volgende
drogredenen:
Onjuist beroep op een oorzaak-gevolgschema:
Het argumentatieschema op basis van oorzaak en gevolg wordt onjuist gebruikt als:
- de in het argument genoemde oorzaken niet voldoende zijn voor het optreden van het voorspelde
gevolg of
- het in het argument genoemde gevolg andere oorzaken kan hebben dan de in het standpunt
genoemde oorzaak of
- alleen op basis van het gelijktijdig of na elkaar optreden van twee verschijnselen geconcludeerd
wordt tot een oorzaak-gevolgrelatie tussen die verschijnselen.
Onjuist beroep op een kenmerk- of eigenschapsschema:
Het argumentatieschema op basis van een kenmerk of eigenschap wordt onjuist gebruikt als aan een
bepaald kenmerk of eigenschap wel betekenis wordt toegekend, terwijl andere relevante
kenmerken of eigenschappen worden genegeerd.
Onjuist beroep op een voor-en-nadelenschema:
Overdrijven van voor- of nadelen
Het argumentatieschema op basis van voor- en nadelen wordt onjuist gebruikt als het gevolg of de
gevolgen van een handeling schromelijk worden overdreven.