Tijd van steden en staten
1000-1500
Middeleeuwen
Kenmerkende aspecten
9. De opkomst van handel en ambacht die de basis legde voor het herleven van
een agrarisch-urbane samenleving.
10. De opkomst van de stedelijke burgerij en de toenemende zelfstandigheid van
steden.
11. Het conflict in de christelijke wereld over de vraag of de wereldlijke dan wel de
geestelijke macht het primaat behoorde te hebben.
12. De expansie van de christelijke wereld naar buiten toe, onder andere in de
vorm van kruistochten.
13. Het begin van staatsvorming en centralisatie.
1. De opkomst van handel en ambacht die de basis legde
voor het herleven van een agrarisch-urbane samenleving.
Dankzij agrarische vernieuwingen werd de landbouw effectiever:
- 2/3-slagstelsel, keerploeg, ontginningen, bemesting, inzet paarden
groeiden de landbouwopbrengsten (dus voedseloverschotten) hierdoor was
specialisatie weer mogelijk. Ook dankzij de
teruggekeerde veiligheid kon de handel weer
opbloeien. Er gingen weer mensen in steden leven
en geld werd weer het ruilmiddel. De steden
ontstonden op belangrijke handelskruispunten
doordat de ambachtslieden bij elkaar gaan wonen.
2/3-slagstelsel- en er ligt een stuk braak waardoor de grond niet uitput.
Ontginningen- natuurland klaarmaken voor landbouw (bv bos omkappen)
2. De opkomst van de stedelijke burgerij en de toenemende
zelfstandigheid van steden.
In de steden kwamen:
- Ambacht: geld verdienen door met je handen te werken, op bestelling en door
1 persoon die het hele productie proces voltooid
- Nijverheid: ambacht op een werkplaats, meerdere personen voor het
productie proces. Niet op bestelling gemaakt.
- Handel: het kopen en verkopen van spullen met doel winst maken. Dit werd
succes vol door samenwerking.
In de steden ontstonden gilden. De edelen verleenden in de steden steeds meer
privileges, die vastgelegd werden in een stadsrecht, in ruil voor geld. De
toenemende rijkdom en zelfstandigheid van de steden trok heel veel mensen aan.
De macht in de steden kwam in handen van een stedelijke elite, ook wel patriciërs.
1000-1500
Middeleeuwen
Kenmerkende aspecten
9. De opkomst van handel en ambacht die de basis legde voor het herleven van
een agrarisch-urbane samenleving.
10. De opkomst van de stedelijke burgerij en de toenemende zelfstandigheid van
steden.
11. Het conflict in de christelijke wereld over de vraag of de wereldlijke dan wel de
geestelijke macht het primaat behoorde te hebben.
12. De expansie van de christelijke wereld naar buiten toe, onder andere in de
vorm van kruistochten.
13. Het begin van staatsvorming en centralisatie.
1. De opkomst van handel en ambacht die de basis legde
voor het herleven van een agrarisch-urbane samenleving.
Dankzij agrarische vernieuwingen werd de landbouw effectiever:
- 2/3-slagstelsel, keerploeg, ontginningen, bemesting, inzet paarden
groeiden de landbouwopbrengsten (dus voedseloverschotten) hierdoor was
specialisatie weer mogelijk. Ook dankzij de
teruggekeerde veiligheid kon de handel weer
opbloeien. Er gingen weer mensen in steden leven
en geld werd weer het ruilmiddel. De steden
ontstonden op belangrijke handelskruispunten
doordat de ambachtslieden bij elkaar gaan wonen.
2/3-slagstelsel- en er ligt een stuk braak waardoor de grond niet uitput.
Ontginningen- natuurland klaarmaken voor landbouw (bv bos omkappen)
2. De opkomst van de stedelijke burgerij en de toenemende
zelfstandigheid van steden.
In de steden kwamen:
- Ambacht: geld verdienen door met je handen te werken, op bestelling en door
1 persoon die het hele productie proces voltooid
- Nijverheid: ambacht op een werkplaats, meerdere personen voor het
productie proces. Niet op bestelling gemaakt.
- Handel: het kopen en verkopen van spullen met doel winst maken. Dit werd
succes vol door samenwerking.
In de steden ontstonden gilden. De edelen verleenden in de steden steeds meer
privileges, die vastgelegd werden in een stadsrecht, in ruil voor geld. De
toenemende rijkdom en zelfstandigheid van de steden trok heel veel mensen aan.
De macht in de steden kwam in handen van een stedelijke elite, ook wel patriciërs.