3000 v.Chr. – 500 n.Chr.
Oudheid
Kenmerkende aspecten
4 De ontwikkeling van het wetenschappelijk denken en het denken over
burgerschap en politiek in de griekse stadstaat.
5 De groei van het romeinse imperium waardoor de griekse-romeinse cultuur
zich verspreide in Europa.
6 De klassieke vormentaal van de Grieks-Romeinse cultuur.
7 De confrontatie tussen de Grieks-Romeinse cultuur en de Germaanse cultuur
in Noordwest-Europa.
8 De ontwikkeling van het jodendom en christendom als de eerste
monotheïstische godsdiensten.
1. De ontwikkeling van het wetenschappelijk denken en het
denken over burgerschap en politiek in de griekse
stadstaat.
Griekenland bestond rondom 850 v.Chr. uit verschillende poleis. Burgers voelden
zich verbonden met de griekse beschaving. Dit verspreidde en ontwikkelde zich
snel, een gevolg hiervan is dat de bevolking naar de koloniën trok. De poleis waren
zelfstanding en hadden elk een eigen bestuur. Verschillende bestuursvormen:
Monarchie: bestuur door de koning of vorst
Aristocratie: een groepje mensen van adel hebben de macht
Tirannie: dictatuur, de dictator is niet legitiem aan de macht gekomen, dit was
niet altijd slecht. Als het slecht ging met een polis werd iemand naar voren
geschoven.
Door de opkomst van een nieuwe welvarende klasse werd oorlogsvoering minder
exclusief, daardoor kwamen er meer oorlogen. Meer inwoners maakten aanspraak
op het burgerschap door hun rol in het leger. Vanaf 509 v.Chr. was er democratie
in Athene, daarbij mochten alleen mannen met Atheense burgerschap stemmen.
Geen vrouwen, slaven en niet-Atheners, ook geen arme boeren want die hadden
geen tijd.
-de raad van 500 had de dagelijks leiding : Boulé
-de volksvertegenwoordiging hierin kwam iedereen bij elkaar om te praten, je kreeg
hier veel macht als je goede charisma had.
In 338 v.Chr. wist philippos de stadstaten te eigenen, ze mochten niet langer hun
eigen buitenlandse politiek bepalen. Na de dood van Philippos kwam zijn zoon
Alexander de grote (20) aan de macht. Hij viel Egypte en Perzië binnen door middel
van militaire strategieën en stichtte nieuwe steden. Alexander was de grondlegger
van het hellenisme.
Beschaving: ontwikkeling die een volk heeft bereikt op het gebied van kunst,
techniek, wetenschap, normen en waarden
Koloniën: een nederzetting buiten het eigenland zelf, de inwoners hebben
economische en/of bestuurlijke macht hebben.