Verlichting en revoluties
Rationeel optimisme en ‘verlicht denken’ dat werd toegepast op alle terreinen van de samenleving:
godsdienst, politiek, economie en sociale verhoudingen
Voortbestaan van het ancien regime met pogingen om het vorstelijk bestuur op eigentijdse, verlichte
wijze vorm te geven (verlicht absolutisme)
Uitbouw van Europese overheersing, met name in de vorm van plantagekoloniën en de daarmee
verbonden trans-Atlantische slavenhandel en de opkomst van het absolutisme
De democratische revoluties in westerse landen met als gevolg discussies over grondwetten,
grondrechten en staatsburgerschap.
De Verlichting
= Aanduiding van een periode waarin een kritische houding ontstond tegenover geloof en traditie en
een groot zelfvertrouwen in de mogelijkheid de wereld rationeel te doorgronden.
- Dogmatisch: iets werd zonder bewijs voor waarheid aangenomen en er mocht geen kritiek op
worden geleverd (Voltaire).
- Verlichtingsdenkers gingen ervan uit dat alleen logisch nadenken (rationalisme) en waarneming
(empirisme) leiden tot kennis en dat je de samenleving kunt verbeteren door kritisch nadenken,
discussie, onderwijs en opvoeding.
- Deïsme: het idee dat het bestaan van God blijkt uit de werking van de natuur (natuurwetten). Soms
wordt God dan ook niet meer al persoon gezien. (Voltaire)
- Natuurlijke rechten: de rechten die ieder mens van nature heeft, zoals het recht op leven, bezit en
vrijheid. (John Locke, volk heeft de macht over de regering (sociaal contract))
- Volkssoevereiniteit: het idee dat de hoogste macht in de staat bij het volk ligt. (Rousseau, volk is
vrij wanneer de regering doet wat het volk wil)
- Scheiding der machten: het principe dat er in een staat drie verschillende machten zijn
(uitvoerende, wetgevende en rechtsprekende) en dat deze machten nooit in een persoon of
instelling samen mogen komen. (Montesquieu)
- Cultuurrelativisme: het idee dat je een vreemde cultuur niet op grond van de normen en waarden
van je eigen cultuur moet beoordelen.
Wetenschappelijke revolutie zorgde voor vertrouwen in het menselijk verstand.
Het idee dat niet de stand waarin je geboren wordt, bepaalt welke rechten je hebt, maar dat elk
mens politieke rechten heeft (natuurlijke rechten).
Het idee dat bestuurders de macht uit handen van het volk hebben gekregen (volkssoevereiniteit).
Het idee om het bestuur op rationele wijze te verbeteren, bijvoorbeeld door de macht op te delen
(trias politica).
Rationeel optimisme en ‘verlicht denken’ dat werd toegepast op alle terreinen van de samenleving:
godsdienst, politiek, economie en sociale verhoudingen
Voortbestaan van het ancien regime met pogingen om het vorstelijk bestuur op eigentijdse, verlichte
wijze vorm te geven (verlicht absolutisme)
Uitbouw van Europese overheersing, met name in de vorm van plantagekoloniën en de daarmee
verbonden trans-Atlantische slavenhandel en de opkomst van het absolutisme
De democratische revoluties in westerse landen met als gevolg discussies over grondwetten,
grondrechten en staatsburgerschap.
De Verlichting
= Aanduiding van een periode waarin een kritische houding ontstond tegenover geloof en traditie en
een groot zelfvertrouwen in de mogelijkheid de wereld rationeel te doorgronden.
- Dogmatisch: iets werd zonder bewijs voor waarheid aangenomen en er mocht geen kritiek op
worden geleverd (Voltaire).
- Verlichtingsdenkers gingen ervan uit dat alleen logisch nadenken (rationalisme) en waarneming
(empirisme) leiden tot kennis en dat je de samenleving kunt verbeteren door kritisch nadenken,
discussie, onderwijs en opvoeding.
- Deïsme: het idee dat het bestaan van God blijkt uit de werking van de natuur (natuurwetten). Soms
wordt God dan ook niet meer al persoon gezien. (Voltaire)
- Natuurlijke rechten: de rechten die ieder mens van nature heeft, zoals het recht op leven, bezit en
vrijheid. (John Locke, volk heeft de macht over de regering (sociaal contract))
- Volkssoevereiniteit: het idee dat de hoogste macht in de staat bij het volk ligt. (Rousseau, volk is
vrij wanneer de regering doet wat het volk wil)
- Scheiding der machten: het principe dat er in een staat drie verschillende machten zijn
(uitvoerende, wetgevende en rechtsprekende) en dat deze machten nooit in een persoon of
instelling samen mogen komen. (Montesquieu)
- Cultuurrelativisme: het idee dat je een vreemde cultuur niet op grond van de normen en waarden
van je eigen cultuur moet beoordelen.
Wetenschappelijke revolutie zorgde voor vertrouwen in het menselijk verstand.
Het idee dat niet de stand waarin je geboren wordt, bepaalt welke rechten je hebt, maar dat elk
mens politieke rechten heeft (natuurlijke rechten).
Het idee dat bestuurders de macht uit handen van het volk hebben gekregen (volkssoevereiniteit).
Het idee om het bestuur op rationele wijze te verbeteren, bijvoorbeeld door de macht op te delen
(trias politica).