7.1 ´Ontstaan van de mens´:
Creationisme:
Het geloof in een bovennatuurlijke schepper. Voorbeelden zijn het christendom, jodendom
en de islam.
Evolutie:
De ontwikkeling van het leven op aarde.
Paleontologie:
De wetenschap die fossiele resten of sporen van organismen bestudeert.
Fossielen:
Restanten van vroeger levende organismen.
Catastrofetheorie:
Een grote natuurramp is de oorzaak van het uitsterven van organismen in een bepaald
gebied.
Evolutietheorie:
Theorie die de ontwikkeling van het leven op aarde verklaart.
Selectiedruk:
De invloed die de omgeving uitoefent op de overlevingskansen van individuen.
Overlevingskansen:
De kans op overleven.
´The struggle for life´:
Strijd om het bestaan.
´The survival of the fittest´:
INdividuen die het best aan hun omgeving zijn aangepast, hebben meer kans om in de
´struggle of life´ te overleven. Ze krijgen tijdens hun leven meer nakomelingen dan de
minder goed aangepaste soortgenoten.
Neodarwinistische theorie:
Die wetenschappelijke ontdekkingen vullen de evolutietheorie van Darwin aan tot de
neodarwinistische theorie.
Verschillende selectiedruk:
De invloed die de omgeving uitoefent op de overlevingskansen van individuen.
, Gereedschappen:
Fossiele vondsten tonen het gebruik van gereedschappen, zoals scherpe stukjes steen, die
hielpen het vlees van de karkassen te schrapen.
Bipedie:
Lopen op twee benen.
´Out of Africa´- hypothese:
Hypothese die de oorsprong van de mens uit Afrika verklaart.
Migratiepatronen:
Patronen van de migratie van voorouders van huidige bevolkingsgroepen.
Haplogroep:
Een groep waarbij de combinatie van de allelen die op één chromosoom voorkomen
hetzelfde zijn.
Y- chromosomale Adam:
De gemeenschappelijke mannelijke voorouder op basis van het Y-chromosoom.
Mitochondriale Eva:
De gemeenschappelijke vrouwelijke voorouder op basis van het mitochondriale DNA
(mtDNA).