2.2
scheiden: het uitelkaar halen van stoffen, stofeigenschappen veranderen
niet
hiervoor heb je verschillende manieren. je kan door middel van stofeigenschappen de beste
scheidingsmethode uitkiezen.
bezinken: dichtheid bij suspensie (vaste stof+vloeistof, troebel) en emulsie
(vloeistof+vloeistof, troebel). het component met een grotere dichtheid
zakt naar beneden.
centrifugeren: versneld bezinken door ronddraaiende
beweging.
filtreren: deeltjesgrootte bij suspensie. het mengsel
passeert een filter. de
vloeistof kan door het filter heen en heet
het filtraat, de stof die
achterblijft heet het residu.
extraheren: oplosbaarheid één stof lost op in het
extractiemiddel, het andere niet
(denk aan zand met zout+water)
2.3
alle namen en heel de opstelling weten (destillatieopstelling)
scheiden: het uitelkaar halen van stoffen, stofeigenschappen veranderen
niet
hiervoor heb je verschillende manieren. je kan door middel van stofeigenschappen de beste
scheidingsmethode uitkiezen.
bezinken: dichtheid bij suspensie (vaste stof+vloeistof, troebel) en emulsie
(vloeistof+vloeistof, troebel). het component met een grotere dichtheid
zakt naar beneden.
centrifugeren: versneld bezinken door ronddraaiende
beweging.
filtreren: deeltjesgrootte bij suspensie. het mengsel
passeert een filter. de
vloeistof kan door het filter heen en heet
het filtraat, de stof die
achterblijft heet het residu.
extraheren: oplosbaarheid één stof lost op in het
extractiemiddel, het andere niet
(denk aan zand met zout+water)
2.3
alle namen en heel de opstelling weten (destillatieopstelling)