3.1
macroniveau: alles wat je kan waarnemen met je zintuigen
microniveau: de kleinste deeltjes waar een stof uit is opgebouwd
(moleculen)
+ de eigenschappen van moleculen zijn anders dan die van een stof, zo kan water
koken bij 100℃ maar één watermolecuul heeft geen kookpunt. je kan dus ook niet
aangeven in welke fase één molecuul zich bevindt. wel kun je in een tekening
(schematisch) met moleculen in welke fase een stof zich bevindt.
als de stof vast is heet het een rooster, de moleculen trillen wel maar blijven op hun
plaats. als het opwarmt gaan de moleculen zo erg trillen dat het rooster wordt
verbroken, het wordt een vloeistof. als het nog warmer wordt gaan de moleculen zo
erg trillen dat ze uit elkaar gaan en helemaal los raken, het is gas geworden.
model: vereenvoudiging van de werkelijkheid, hier kan je beter
mee werken, ook kan je dit vergroten of verkleinen om
het duidelijker te maken
stimulatie: het gebruiken van een model om de effecten na te
kunnen bootsen
3.2
atomen: de deeltjes waar moleculen uit bestaan
+ wanneer er meerdere atomen aan elkaar zitten heet dit een molecuul. als dit
verschillende atoomsoorten zijn heet het een verbinding, maar als de
molecuul uit één soort atoom bestaat heet het een element.
+ er zijn iets meer dan 110 atoomsoorten waarmee je miljoenen soorten
verbindingen kan maken. elke soort heeft een eigen naam en symbool, wat
bestaat uit 1 of 2 letters de eerste is altijd een hoofdletter. omdat er zoveel
soorten zijn heeft dmitri mendelejev het ooit in een tabel gezet, het periodiek
systeem.
periodiek systeem: een tabel waarin de atomen zijn gerangschikt op
atoomnummer, er staan verschillende groepen in; metalen,
metalloïden (eigenschappen van metalen en niet-metalen) en
niet-metalen.
+ ook zijn er een paar groepen (die op de horizontale as)
macroniveau: alles wat je kan waarnemen met je zintuigen
microniveau: de kleinste deeltjes waar een stof uit is opgebouwd
(moleculen)
+ de eigenschappen van moleculen zijn anders dan die van een stof, zo kan water
koken bij 100℃ maar één watermolecuul heeft geen kookpunt. je kan dus ook niet
aangeven in welke fase één molecuul zich bevindt. wel kun je in een tekening
(schematisch) met moleculen in welke fase een stof zich bevindt.
als de stof vast is heet het een rooster, de moleculen trillen wel maar blijven op hun
plaats. als het opwarmt gaan de moleculen zo erg trillen dat het rooster wordt
verbroken, het wordt een vloeistof. als het nog warmer wordt gaan de moleculen zo
erg trillen dat ze uit elkaar gaan en helemaal los raken, het is gas geworden.
model: vereenvoudiging van de werkelijkheid, hier kan je beter
mee werken, ook kan je dit vergroten of verkleinen om
het duidelijker te maken
stimulatie: het gebruiken van een model om de effecten na te
kunnen bootsen
3.2
atomen: de deeltjes waar moleculen uit bestaan
+ wanneer er meerdere atomen aan elkaar zitten heet dit een molecuul. als dit
verschillende atoomsoorten zijn heet het een verbinding, maar als de
molecuul uit één soort atoom bestaat heet het een element.
+ er zijn iets meer dan 110 atoomsoorten waarmee je miljoenen soorten
verbindingen kan maken. elke soort heeft een eigen naam en symbool, wat
bestaat uit 1 of 2 letters de eerste is altijd een hoofdletter. omdat er zoveel
soorten zijn heeft dmitri mendelejev het ooit in een tabel gezet, het periodiek
systeem.
periodiek systeem: een tabel waarin de atomen zijn gerangschikt op
atoomnummer, er staan verschillende groepen in; metalen,
metalloïden (eigenschappen van metalen en niet-metalen) en
niet-metalen.
+ ook zijn er een paar groepen (die op de horizontale as)