Maatschappijleer H2 – Pluriforme samenleving
Cultuur = alle waarden, normen en andere aangeleerde kenmerken die de leden van een
groep of samenleving met elkaar gemeen hebben en als vanzelfsprekend beschouwen.
Gemeenschappelijk referentiekader = mensen hebben deels dezelfde normen, waarden
en gewoonten door cultuur. Hierdoor begrijp je elkaar beter en kun je makkelijker gedachten
en gevoelens uitwisselen.
Gedragsregulerend = cultuur geeft richting aan denken en doen van mensen, het doet het
gedrag van mensen geordend en voorspelbaar verlopen.
Dominante cultuur = het geheel van waarden, normen en kenmerken dat door de meeste
mensen binnen een samenleving wordt geaccepteerd.
Subcultuur = specifieke groep die andere kenmerken ontwikkelt die afwijken van dominante
cultuur.
Tegenculturen = groepen die zich verzetten tegen (deel van) de dominante cultuur of daar
zelfs een bedreiging voor vormen.
Socialisatie = het proces waarbij iemand bewust en onbewust de waarden, normen en
andere cultuurkenmerken van zijn groep krijgt aangeleerd. Vooral via imitatie.
Socialiserende instituties = de gemeenschappen, waar je toe behoort, die je beïnvloeden.
Sociale controle = manier waarop mensen anderen stimuleren of dwingen zich aan de
geldende normen te houden.
Formeel = gebaseerd op regels.
Informeel = beleefdheidsvormen en andere ongeschreven regels.
Sancties = Sociale controle in positieve of negatieve vorm.
Groepsidentificatie = dat je als persoon bij een groep hoort
Belangrijkste dimensies = waarin culturen van elkaar verschillen.
Machtsafstand = de omgang met gezag in cultuur.
Individualisme vs. collectivisme = mate waarin individuen zich deel voelen van een
groep. Individualistisch → Banden tussen mensen over het algemeen zijn vrij los.
Collectivistisch → Vanaf geboorte al bij een sterke en hechte groep.
Masculiniteit vs. feminiteit = rolverdeling tussen mannen en vrouwen in
maatschappij. Masculiniteit → wereld van mannen en vrouwen is duidelijk
gescheiden. Feminiteit → vrouwelijke en mannelijke taken lopen in elkaar over,
zorgzaam en aandacht voor gevoelens.
Onzekerheidsvermijding = mate van angst voor de toekomst binnen een
samenleving.
Oriëntatie op lange vs. korte termijn = mate waarin de maatschappij gericht is op de
toekomst of op het heden.
Etnocentrisme = manier van kijken waarbij de eigen groep wordt gezien als het middelpunt
van alles en alle anderen worden daaraan afgemeten.
Vooroordeel = vooropgezette mening over andere groepen of culturen.
Xenofobie = vooroordelen kunnen uitlopen op regelrechte vijandigheid ten opzichte van
mensen die niet tot de eigen etnische groep behoren.
Maatschappijleer H3 – Pluriforme samenleving
Pushfactoren = redenen om je land te verlaten.
Pullfactoren = redenen om naar een land te komen.
Mythe van terugkeer = migranten leven met het idee dat ze weer teruggaan na een aantal
jaar werken, uiteindelijk gaan ze niet meer terug.
Autochtoon = in Nederland geboren, (groot)ouders in Nederland opgegroeid.
Allochtoon = wanneer persoon zelf of ten minste één van de ouders in het buitenland
geboren is.
Inwoners met migratieachtergrond = ander woord voor allochtoon.
Klassieke immigratielanden = VS, Canada, Australië, hun samenlevingen zijn vanaf begin
gevormd door komst van migranten. Migratiesamenlevingen lijken op elkaar. Herkomst van
de migranten valt op. Mede door selectie van migranten. VS begint met regulering
(= wetgeving) van migratie.
, Maatschappijleer – Pluriforme samenleving
Immigratiebeleid = immigratie wordt niet gezien als iets wat de samenleving overkomt,
maar als bewuste keuze als onderdeel voor gewilde toekomst.
Puntensysteem = opleiding, kennis van Engels, leeftijd en geschiktheid voor beroepen
staan centraal voor economische migranten.
Economische criteria = in migratiebeleid voorop, vastgesteld aan welke kwaliteiten van
migranten behoefte is.
Maatschappijleer H4 – Pluriforme samenleving
Groepen migranten:
Arbeidsmigranten = gemotiveerd door mogelijkheid van economische verbetering.
Gastarbeiders = mensen die in een ander land komen om te werken.
o Seizoenwerkers = slecht betaald werk in slechte omstandigheden.
o Kennismigranten = hoogopgeleide mensen die werken in ander land, omdat
daar behoefte aan is.
o Illegalen = mensen die geen wettige toestemming hebben om hier te wonen
en te werken.
Postkoloniale migranten = mensen afkomstig uit voormalige koloniën, vaak na
onafhankelijkheid uit land weggetrokken.
Rijksgenoten = mensen uit een land met de mensen van de bijbehorende kolonies.
Gezinsherenigers of gezinsvormers = mensen die zich voegen bij mensen die al in
dat land wonen of trouwen met iemand van land van aankomst. Gezinshereniging
→ mensen die legaal in Nederland verblijven en gezinsleden laten overkomen.
Gezinsvorming → Nederlander of iemand met verblijfsvergunning die met
buitenlander trouwt en hier een gezin sticht.
Vluchteling = vluchten van oorlog of vervolging in eigen land. Vervolgd vanwege het
geloof, politieke overtuiging of seksuele geaardheid of op de vlucht voor
oorlogsgeweld.
Asielzoeker = meldt zich in Groningse Ter Apel → aanvraag ingediend → naar
opvanglocatie gebracht → rust- en voorbereidingstijd (vluchtelingenwerk, medisch
onderzoek, spreken met advocaat) → bekeken of diegene in aanmerking komt voor
bescherming en of diegene in Nederland mag blijven.
Belangrijke internationale verdragen:
De universele verklaring van de rechten van de mens: land mag niet
discrimineren, rechten en vrijheden van mensen moeten worden nagekomen.
Europees verdrag voor de rechten van de mens: gelegenheid geven tot
gezinshereniging en gezinsvorming.
VN-vluchtelingenverdrag: basis asielrecht.
Akkoord van Schengen: vrij verkeer van personen en goederen.
Maatschappijleer H5 – Pluriforme samenleving
Verandering door migratie:
Verandering van generaties = leefwereld van de ouders en kinderen verschilt (bijv.
taal).
Gemengde huwelijken = meer generaties → meer gemengde huwelijken.
Remittances = geld dat wordt overgemaakt naar land van herkomst.
Vervreemding = mensen voelen zich niet echt thuis in de omgeving (sleutelbegrip samen
met verlies).
Tegenstrijdige ambities = ouders die in een heel andere samenleving zijn groot geworden,
hebben moeite om hun kinderen te begrijpen.
Vooruitgang en stagnatie:
Onderwijs
Arbeidsmarkt = groei in etnisch ondernemerschap
Middenklasse = advocaten, politieagenten, artsen, leraren en ondernemers.
Sociale mobiliteit = verandering van sociale positie van een persoon, stijgen op de sociale
ladder.