SAMENVATTING HOOFDSTUK 4,5 EN 6 ECONOMISCHE CRISIS
Hoofdstuk 4;
Een economische groei is afhankelijk van de bestedingen (conjunctuurkant ofwel
vraag), maar ook van de productiecapaciteit (structurele kant ofwel de aanbodkant).
Maar hoe kunnen we de productiecapaciteit beïnvloeden?
KANO:
Kapitaal; innovaties van machines, investeren van kapitaalgoederen,
subsidies, duurzamer en milieuvriendelijker.
Arbeid; hoogopgeleide bevolking, investeren in scholing of human kapitaal
Natuur; investeren in landbouwverbetering, grond op te kopen voor boeren
Ondernemerschap; investeren in infrastructuur, zzp’ers mogen een deel van
hun geld aftrekken van de belasting.
Conjunctuurkant; Anticyclisch beleid van de overheid
Laagconjunctuur (ontstaan van werkloosheid); overheidsbestedingen omhoog,
en belasting verlagen
Hoogconjunctuur (ontstaan van inflatie); overheidsbestedingen verlagen, en
belasting omhoog
Arbeidsvolume; is het aantal banen uitgedrukt in voltijd banen
Een bestedingsimpuls kan een sneeuwbaleffect hebben; totale vraag stijgt, stijging
productie en inkomen, gezinnen gaan meer consumeren, stijging bbp, ect. Dit
kunnen we dan het multipliereffect noemen, een stijging van het ene leidt tot een
grotere stijging in het algemeen.
Inverdieneffect van de overheid (gebeurt bij verlaging van belastingtarieven);
belastingtarieven dalen, besteedbaar inkomen stijgt, consumptie stijgt, productie
stijgt, inkomen stijgt, inkomstenbelastingopbrengst stijgt.
Uitverdieneffect van de overheid; door bezuinigingen daalt in eerste instantie het
tekort met het bedrag van de bezuinigen, maar doordat de belastingontvangsten
dalen zal per saldo het tekort minder afnemen. Of door een verhoging van de
belastingtarieven daalt het besteedbaar inkomen, bestedingen dalen, negatief
invloed op bbp en daarmee de belastingontvangsten.
De automatische stabilisatoren van de economie;
Sociale uitkeringen (mensen zonder baan, krijgen alsnog inkomen om te
consumeren)
Progressieve belastingstelsel (als inkomens minder worden, daalt ook het
belastingtarief, zodat men alsnog voldoende kan consumeren)
, Echter kan dit ook een negatief effect hebben op internationaal niveau; als een land
bestedingen stimuleert, zal een groot deel van de extra bestedingen gedaan worden
in het buitenland. Daar schiet de nationale economie niet veel mee op. Als het
besteding beleid op Europees niveau plaatsvindt, dan profiteren alle landen veel
sterker, doordat de export naar andere Europese landen toeneemt.
Overheidstekort = financieringstekort, Begrotingstekort – aflossingen
Bestedingstekort = uitgaven (aflossingen zitten hier in) groter zijn dan de inkomsten
Een staatsschuld neemt dus toe met het financieringstekort
Inkomsten en uitgaven zijn stroomgrootheden, ze hebben betrekking op een
geldstroom die in een bepaalde periode binnenkomt of wordt uitgegeven.
Staatsschuld is een voorraadgrootheid, de schuld meet je namelijk op een bepaald
moment.
Staatsschuldquote; staatschuld aan het eind van een jaar/ bbp x 100%
Als de quote daalt dan kan dat een gevolg zijn van een daling van de
overheidsschuld of een toename van het bbp. Het kan dus zelfs dalen bij een stijging
van de staatschuld, dan is de procentuele toename van het bbp groter.
Als de overheid een groot overheidstekort heeft, moet het veel lenen dit zorgt ervoor
dat de rentevoet stijgt, dit leidt ertoe dat het voor gezinnen en bedrijven ook duurder
wordt om te lenen, minder consumptie en investeringen, ze worden eigenlijk
verdrongen door de overheid, dit noemen we crowding-out-effect.
Hoofdstuk 5;
Het geld dat gebruikt wordt voor transacties heet actief geld. Het oppotten van geld
heeft een lage omloopsnelheid en noemen we daarom ook inactief geld.
De Europese centrale bank heeft de rente in handen niet de overheid.
De externe waarde van geld is de wisselkoers en de interne waarde is de koopkracht
Inflatie Deflatie
Schuldenaar Voordeel Nadeel
Schuldeiser Nadeel Voordeel
Deflatie leidt tot uitstel van de bestedingen, omdat men denkt dat de prijzen nog
meer zullen gaan dalen en daarom wachten ze met consumeren.
Er zijn in de economie twee soorten inflatie;
Hoofdstuk 4;
Een economische groei is afhankelijk van de bestedingen (conjunctuurkant ofwel
vraag), maar ook van de productiecapaciteit (structurele kant ofwel de aanbodkant).
Maar hoe kunnen we de productiecapaciteit beïnvloeden?
KANO:
Kapitaal; innovaties van machines, investeren van kapitaalgoederen,
subsidies, duurzamer en milieuvriendelijker.
Arbeid; hoogopgeleide bevolking, investeren in scholing of human kapitaal
Natuur; investeren in landbouwverbetering, grond op te kopen voor boeren
Ondernemerschap; investeren in infrastructuur, zzp’ers mogen een deel van
hun geld aftrekken van de belasting.
Conjunctuurkant; Anticyclisch beleid van de overheid
Laagconjunctuur (ontstaan van werkloosheid); overheidsbestedingen omhoog,
en belasting verlagen
Hoogconjunctuur (ontstaan van inflatie); overheidsbestedingen verlagen, en
belasting omhoog
Arbeidsvolume; is het aantal banen uitgedrukt in voltijd banen
Een bestedingsimpuls kan een sneeuwbaleffect hebben; totale vraag stijgt, stijging
productie en inkomen, gezinnen gaan meer consumeren, stijging bbp, ect. Dit
kunnen we dan het multipliereffect noemen, een stijging van het ene leidt tot een
grotere stijging in het algemeen.
Inverdieneffect van de overheid (gebeurt bij verlaging van belastingtarieven);
belastingtarieven dalen, besteedbaar inkomen stijgt, consumptie stijgt, productie
stijgt, inkomen stijgt, inkomstenbelastingopbrengst stijgt.
Uitverdieneffect van de overheid; door bezuinigingen daalt in eerste instantie het
tekort met het bedrag van de bezuinigen, maar doordat de belastingontvangsten
dalen zal per saldo het tekort minder afnemen. Of door een verhoging van de
belastingtarieven daalt het besteedbaar inkomen, bestedingen dalen, negatief
invloed op bbp en daarmee de belastingontvangsten.
De automatische stabilisatoren van de economie;
Sociale uitkeringen (mensen zonder baan, krijgen alsnog inkomen om te
consumeren)
Progressieve belastingstelsel (als inkomens minder worden, daalt ook het
belastingtarief, zodat men alsnog voldoende kan consumeren)
, Echter kan dit ook een negatief effect hebben op internationaal niveau; als een land
bestedingen stimuleert, zal een groot deel van de extra bestedingen gedaan worden
in het buitenland. Daar schiet de nationale economie niet veel mee op. Als het
besteding beleid op Europees niveau plaatsvindt, dan profiteren alle landen veel
sterker, doordat de export naar andere Europese landen toeneemt.
Overheidstekort = financieringstekort, Begrotingstekort – aflossingen
Bestedingstekort = uitgaven (aflossingen zitten hier in) groter zijn dan de inkomsten
Een staatsschuld neemt dus toe met het financieringstekort
Inkomsten en uitgaven zijn stroomgrootheden, ze hebben betrekking op een
geldstroom die in een bepaalde periode binnenkomt of wordt uitgegeven.
Staatsschuld is een voorraadgrootheid, de schuld meet je namelijk op een bepaald
moment.
Staatsschuldquote; staatschuld aan het eind van een jaar/ bbp x 100%
Als de quote daalt dan kan dat een gevolg zijn van een daling van de
overheidsschuld of een toename van het bbp. Het kan dus zelfs dalen bij een stijging
van de staatschuld, dan is de procentuele toename van het bbp groter.
Als de overheid een groot overheidstekort heeft, moet het veel lenen dit zorgt ervoor
dat de rentevoet stijgt, dit leidt ertoe dat het voor gezinnen en bedrijven ook duurder
wordt om te lenen, minder consumptie en investeringen, ze worden eigenlijk
verdrongen door de overheid, dit noemen we crowding-out-effect.
Hoofdstuk 5;
Het geld dat gebruikt wordt voor transacties heet actief geld. Het oppotten van geld
heeft een lage omloopsnelheid en noemen we daarom ook inactief geld.
De Europese centrale bank heeft de rente in handen niet de overheid.
De externe waarde van geld is de wisselkoers en de interne waarde is de koopkracht
Inflatie Deflatie
Schuldenaar Voordeel Nadeel
Schuldeiser Nadeel Voordeel
Deflatie leidt tot uitstel van de bestedingen, omdat men denkt dat de prijzen nog
meer zullen gaan dalen en daarom wachten ze met consumeren.
Er zijn in de economie twee soorten inflatie;