Samenvatting BS1 t/m BS8
1. Organismen
Organismen en hun milieu
Ecologie: wetenschap waarbij de wisselwerking tussen organismen en hun
omgeving wordt bestudeerd.
• Levensgemeenschap: alle populaties in een ecosysteem.
– Populatie: groep organismen van dezelfde soort in een bepaald gebied, die
samen een voortplantingsgemeenschap vormen.
• Biotische factoren: invloeden afkomstig van de levende natuur.
• Abiotische factoren: invloeden van de levenloze natuur (bijv. temperatuur).
– Biotoop: de gezamenlijke abiotische factoren in een bepaald gebied.
Levensgemeenschap en biotoop vormen samen een ecosysteem.
Ecosysteem: min of meer natuurlijk begrensd deel van de biosfeer (bijv.
duingebied, heideveld).
- Binnen een ecosysteem heeft elke soort zijn eigen habitat (=het leefgebied
van een organisme). Abiotische factoren bepalen of een gebied geschikt is als
habitat voor een organisme.
Abiotische factoren
Abiotische factoren hebben invloed op de soortensamenstelling
(= verschillende soorten die binnen een gebied voorkomen).
– Bijv. voor landdieren zijn het klimaat en de bodem belangrijke factoren.
– Klimaat = combinatie van abiotische factoren als licht, wind, water en temp.
,Bodem
• Een bodem bestaat uit een mengsel van bodemdeeltjes van verschillende
grootte.
Zand: grote bodemdeeltjes, veel lucht, weinig water. Kan water niet goed
vasthouden.
Klei: kleine bodemdeeltjes, weinig lucht, veel water. Kan water goed
vasthouden --> geschikte bodem voor planten.
Gehalte aan humus: mengsel van organische en anorganische stoffen en micro-
organismen. Humus verbetert de structuur van de bodem en gaat uitspoeling
van mineralen naar het grondwater tegen.
Andere eigenschappen van de bodem: de pH (zuurgraad), grondwaterstand en
concentratie mineralen.
Licht
• Planten hebben licht nodig voor hun fotosynthese.
- Zonplanten groeien het best bij een hoge lichtintensiteit (bijv. in open veld).
- Schaduwplanten groeien het best bij een lage lichtintensiteit (bijv. op de
bodem van een bos).
• De daglengte heeft bij veel organismen invloed op de voorplanting en het
tijdstip daarvan (bijv. bloemvorming bij planten, paring bij dieren).
• Waterdieren vertonen verticale migratie onder invloed van licht. (’s nachts
naar het wateroppervlak, overdag op de bodem).
, Water
• Planten zijn aangepast aan de beschikbare hoeveelheid water.
Landplanten in een vochtig milieu hebben zwak ontwikkelde wortelstelsels en
bladeren met een dunne cuticula (waslaagje) en veel huidmondjes.
Landplanten in een droog milieu hebben goed ontwikkelde wortelstelsels
bladeren met een dikke cuticula (waslaagje) en weinig huidmondjes.
Voor waterdieren zijn het zuurstofgehalte en zoutgehalte van water van belang
Temperatuur
Chemische processen in organismen worden geregeld door enzymen.
• De enzymactiviteit is afhankelijk van de temperatuur.
Lage temp --> enzymactiviteit klein. Hoge temp --> enzymactiviteit groot.
(bij te hoge temperatuur gaan de enzymen kapot).
- Dieren met wisselende lichaamstemperatuur kunnen bij een lage
omgevingstemperatuur vaak niet erg actief zijn.
- Dieren met een constante lichaamstemperatuur kunnen temperaturen onder
de 0 C verdragen.
Tolerantie
Tolerantie: het vermogen van organismen om schommelingen in abiotische
factoren te verdragen.
– Soorten met een grote tolerantie hebben een groot verspreidingsgebied.
– Verspreidingsgebied: het gebied op aarde waar een soort voorkomt.
Optimum: de waarde van een abiotische factor die het gunstigst is voor het
organisme.
Stresszone: temperatuur waarin valt te overleven, maar wel alle energie voor
nodig is om te kunnen overleven --> geen energie om zich voort te planten.
Beperkende factor: abiotische factor die bepaalt hoeveel organismen van een
soort in een gebied kunnen overleven.