elektrisch geladen/statisch
Een voorwerp is geladen als het een ander voorwerp aantrekt. Hoe meer waterdamp in de lucht hoe
sneller de lading verdwijnt.
Positieve en negatieve lading
Voorwerpen met een verschillende lading trekken elkaar aan. De ene soort lading is positief(plus) en
de ander negatief(min)
Elektronen
Elektronen zijn negatief geladen deeltjes, sommige voorwerpen kan je een lading geven door met
een doek te wrijven. De elektronen springen dan over.
Protonen
Protonen zijn positief geladen deeltjes, protonen kunnen niet van hun plek komen. Allen elektronen
kunnen dat.
Spanning
Er is een spanning als het ene object positief is en de ander negatief
Lading en stroomsterkte Q=Ixt
Eenheid lading: c (coulomb) Q = de hoeveelheid lading in coulomb
18
1 coulomb is gelijk aan de lading van 6,2 x 10 I = de stroomsterkte in ampere
elektronen.
T = de tijd in seconde
Paragraaf 2
Weerstand
R=U/I
Soms is er een grote spanning nodig om een klein beetje
stroom door te persen, dit noem je een weerstand. Je R = weerstand in ohm
hebt grote en kleine weerstanden. U = spanning in volt
De wet van ohm I = stroomsterkte in ampere
De spanning en stroomsterkte zijn evenredig
Weerstand en temperatuur
Soms geldt de wet van ohm niet, bij een gloeilamp bijvoorbeeld. Hier is de weerstand dus te groot.
Dat de weerstand toeneemt heeft met temperatuur te maken. De temperatuur van het gloeidraad
word ontzettend warm. De weerstand neemt toe.
Veranderlijke weerstanden
NTC = gevoelig voor temperatuur veranderingen. Hoe warmer hoe minder weerstand.