Mannelijk, vrouwelijk en onzijdige woorden.
Mannelijke en vrouwelijke woorden krijgen het lidwoord DE
Onzijdige woorden krijgen het lidwoord: HET
Alle geografische namen zijn altijd onzijdig. -> het Nederland van vroeger
Altijd vrouwelijk indien het woord eindigt op:
-teit – heid, -ing, -st, is, ica, theek en iek
Voornaamwoorden(persoonlijk, bezittelijk, wederkerend, onbepaald, aanwijzend, betrekkelijk,
vragend)
Persoonlijke voornaamwoorden verwijzen naar levende wezens of zaken, bezittelijke
voornaamwoorden verwijzen naar een bezit van iemand, wederkerende voornaamwoorden
verwijzen meestal naar het onderwerp in de zin, onbepaalde voornaamwoorden verwijzen niet naar
een specifieke persoon, aanwijzende voornaamwoorden verwijzen naar iets of iemand,
betrekkelijke voornaamwoorden verwijzen naar een ding ( bijv. ik schrijf dat boek ) , bij vragende
voornaamwoorden vraag je naar iemand of iets.
Antecedent
Waar een betrekkelijk voornaamwoord naar verwijst is het antecedent. Bijv. ik ga naar dat pretpark.
Of dat is mijn tekening.
Dubbele ontkenning
Dit is het herhalen van een ontkennend woord waardoor er 2 in staan. Bijv. Ik ontken dat ik
daar niet ben geweest.
Misleidende tweeling
Woorden die wat betreft qua betekenis op elkaar lijken zoals
Als/dan als bij een evenwaardige vergelijking, dan bij een vergelijkende trap.
Rede/reden rede = toespraak en reden = argument
Kennen/kunnen kennen = weten wie het is/door te leren en kunnen = in staat zijn om
Na/naar na = volgorde/tijd en naar = ?
Te kort/tekort hij kwam 6 euro te kort. En hij had een tekort (znw)
Te veel/teveel hij gaf te veel uit. Een teveel aan (znw)