Examenbundel Nederlands
Theorie 1 – betekenis, hoofdgedachte en hoofdvraag, indeling van de tekst in stukken
§1 betekenis
1) Waarde: iets heeft een waarde voor iemand / is belangrijk voor iemand
2) Gevolgen: iets heeft een effect, heeft impact, met bepaalde gevolgen
3) Doel: iets heeft een bepaald doel, bijvoorbeeld waarschuwen
4) Teken: een teken of indicatie van iets
§2 hoofdgedachte en hoofdvraag
J Hoofdgedachte van een alinea is de belangrijkste mededeling over het
tekstonderwerp van de alinea
J Hoofdvraag is de centrale vraag die de schrijver stelt over het tekstonderwerp
o De hoofdgedachte is het antwoord op de hoofdvraag
J Waar kun je de hoofdgedachte vinden?
o De eerste, tweede of laatste zin van een alinea
o In eerste zin met herhaling in laatste zin
o Verdeeld over eerste en laatste zin
o Verspreid over alle zinnen kun je niet citeren
§3 verdeling van tekst in stukken
J Goed letten op signaalzinnen
o Kondigen iets aan
o Conclusies of samenvattend
o Combineren zinnen
Theorie 2 – diverse tekstsoorten en het doel van de tekst
§1 diverse tekstsoorten
J Betoog: stelling van de schrijver + zijn argumenten, duidelijke mening van de schrijver
die je als lezer moet overnemen
J Beschouwing: allerlei meningen, ook mening van de schrijver zonder dat je het idee
krijgt dat je die moet overnemen, vrij rustige en zakelijke tekst
J Uiteenzetting: als een handleiding, zakelijke en feitelijke tekst
§2 het doel van de tekst
J Informeren of beschouwen: kennis opdoen, iets te weten komen, schrijver bekijkt
kwestie feitelijk en op diverse manieren
J Overtuigen: schrijver wil je van mening veranderen, hetzelfde standpunt krijgen
J Activeren of adviseren: je moet (wel of geen) actie ondernemen / gaan doen,
iemands advies opvolgen
J Amuseren: je moet om zijn grappen lachen en vermaakt worden
Theorie 1 – betekenis, hoofdgedachte en hoofdvraag, indeling van de tekst in stukken
§1 betekenis
1) Waarde: iets heeft een waarde voor iemand / is belangrijk voor iemand
2) Gevolgen: iets heeft een effect, heeft impact, met bepaalde gevolgen
3) Doel: iets heeft een bepaald doel, bijvoorbeeld waarschuwen
4) Teken: een teken of indicatie van iets
§2 hoofdgedachte en hoofdvraag
J Hoofdgedachte van een alinea is de belangrijkste mededeling over het
tekstonderwerp van de alinea
J Hoofdvraag is de centrale vraag die de schrijver stelt over het tekstonderwerp
o De hoofdgedachte is het antwoord op de hoofdvraag
J Waar kun je de hoofdgedachte vinden?
o De eerste, tweede of laatste zin van een alinea
o In eerste zin met herhaling in laatste zin
o Verdeeld over eerste en laatste zin
o Verspreid over alle zinnen kun je niet citeren
§3 verdeling van tekst in stukken
J Goed letten op signaalzinnen
o Kondigen iets aan
o Conclusies of samenvattend
o Combineren zinnen
Theorie 2 – diverse tekstsoorten en het doel van de tekst
§1 diverse tekstsoorten
J Betoog: stelling van de schrijver + zijn argumenten, duidelijke mening van de schrijver
die je als lezer moet overnemen
J Beschouwing: allerlei meningen, ook mening van de schrijver zonder dat je het idee
krijgt dat je die moet overnemen, vrij rustige en zakelijke tekst
J Uiteenzetting: als een handleiding, zakelijke en feitelijke tekst
§2 het doel van de tekst
J Informeren of beschouwen: kennis opdoen, iets te weten komen, schrijver bekijkt
kwestie feitelijk en op diverse manieren
J Overtuigen: schrijver wil je van mening veranderen, hetzelfde standpunt krijgen
J Activeren of adviseren: je moet (wel of geen) actie ondernemen / gaan doen,
iemands advies opvolgen
J Amuseren: je moet om zijn grappen lachen en vermaakt worden