H12: Instandhoudingsdoelstellingen en waarderingsgrondslagen .................................................... 2
H13: Hisorischekostenstelsel ......................................................................................................... 3
H14: Vervangingswaardestelsel ..................................................................................................... 5
H16: Kapitaalbelangen .................................................................................................................. 7
H17: Consolidatie.........................................................................................................................13
H18: Vreemde valuta ...................................................................................................................17
H19: Winstbelasting .....................................................................................................................20
Aantekeningen gemaakte opgaven ...............................................................................................23
,H12: Instandhoudingsdoelstellingen en waarderingsgrondslagen
3 instandhoudingsdoelstellingen:
• Het nominalisme:
o ‘Handhaving van het eigen vermogen in euro’s’;
o In geld wil je dezelfde uitgangssituatie.
• Het substantialisme:
o ‘Handhaving van het complex van materiële activa’;
o Je wilt in goederen dezelfde uitgangssituatie.
• Handhaving van de koopkracht van het eigen vermogen:
o Kijken naar het eigen vermogen en de inflatie hierop los laten.
De theorie hoef je hiervan niet per se te weten. Alleen weten dat het ergens vandaan komt.
, H13: Hisorischekostenstelsel
Toepassing historische kosten op vaste activa:
• ‘Waardering tegen oorspronkelijk betaalde prijs verminderd met de reeds gedane
afschrijvingen’:
o Waardering tegen werkelijk betaalde prijzen:
▪ Dus vrij van schattingen.
• Resultaatbepaling op nominalistische wijze.
Toepassing historische kosten op voorraden:
• FIFO:
o ‘First In First Out’;
o Gevaar toepassing FIFO bij prijsstijgingen:
▪ Schijnwinsten (lage kostprijs, terwijl de inkoopprijzen nu al veel hoger zijn).
o Gestegen inkoopprijs van de voorraad (voorraadresultaat) zit volledig in de winst:
▪ Nominalistische bepaling.
• GIP:
o ‘Gemiddelde Inkoopprijs’;
o Elke inkoop leidt tot aanpassing van de GIP:
▪ Erg arbeidsintensief.
o Gestegen inkoopprijs van de voorraad zit nog (groten)deels in de winst:
▪ Overwegend nominalistisch.
• LIFO:
o (Niet toegestaan bij IFRS en RJ*);
o ‘Last In First Out’;
o Individueel-LIFO:
▪ ‘LIFO per transactie’:
• Per transactie kijken welke voorraad op het moment van verkoop
het meest recent is ingekocht -> deze pak je dan.
▪ Gestegen inkoopprijs van de voorraad zit veelal beperkt in de winst:
• Partieel substantialistisch.
o Collectief-LIFO:
▪ ‘LIFO per periode’:
• Per periode kijken welke voorraad er het laatste is ingekocht -> deze
pak je dan (ongeacht de volgorde van in- en verkopen).
▪ Alleen administratief mogelijk -> fysiek onmogelijk;
▪ Gestegen inkoopprijs van de voorraad zit veelal zeer beperkt in de winst:
• Partieel substantialistisch.
• Ijzerenvoorraadstelsel:
o ‘Vaste voorraadomvang tegen oorspronkelijke inkoopprijs’;
o (Niet toegestaan bij IFRS*);
o Mag alleen fiscaal;
o Ijzerenvoorraad:
▪ De voorraad die noodzakelijk is om de normale bedrijfsactiviteiten uit te
kunnen oefenen.
o Werkelijke voorraad kan afwijken hiervan:
▪ Manco:
• Werkelijke voorraad kleiner dan ijzeren voorraad:
o Tekort * actuele inkoopprijs.
▪ Surplus:
• Werkelijke voorraad groter dan ijzeren voorraad:
o Overschot * historische kostprijs.