Psychopathologie: een deelgebied van de psychiatrie en de psychologie dat zich bezighoudt met het
beschreven van psychische stoornissen, oorzaken daarvan en behandelingen daarvoor.
Psychiatrie: medisch specialisme dat zich richt op de diagnostiek en behandeling van psychische stoornissen.
Psychische stoornis: het geheel van afwijkende emoties, gedachten of gedragspatronen dat wordt gekenmerkt
door onder andere een storing in het functioneren en (persoonlijk) lijden.
Criteria voor abnormaliteit:
o Uitzonderlijk. Uitzonderlijk gedrag wordt vaak als afwijkend gedrag beschouwd, maar kan ok plaats- en
cultuurgebonden zijn. Uitzonderlijkheid op zich is niet voldoende om gedrag afwijkend te noemen.
o Sociaal afwijkend. Alle samenlevingen hebben normen die bepalen welke vormen van gedrag
acceptabel zijn in een bepaalde context. Je moet dus rekening houden met culturele verschillen.
o Foute perceptie of interpretatie van de realiteit. Onze zintuigen en cognitieve processen vormen een
accurate mentale representatie van onze omgeving. Als iemand dingen ziet of stemmen hoort die er niet
zijn, noemen we dat hallucinaties. Ook wanen kunnen een teken zijn van psychische stoornissen.
o Aanzienlijk emotioneel lijden van de persoon. Persoonlijk lijden als gevolg van problematische
emoties als angst en depressie kan afwijkend zijn. Ook de afwezigheid van emotionele reacties kunnen
als afwijkend worden beschouwd.
o Ongepast of contraproductief gedrag. Gedrag dat geen bevrediging maar juist onrpettige gevoelens
oproept, vinden we over het algemeen afwijkend.
o Gevaar. Gedrag dat gevaar oplevert voor de persoon zelf of zijn omgeving, noemen we afwijkend.
Evidence-based medicine: het streven om gebruik te maken van het beste beschikbare bewijs bij het maken
van een keuze voor de behandeling van een patiënt.
Hoofdstuk 3 Classificatie en beoordeling van afwijkende emoties, gedachten en gedrag
Classificatie wordt gedaan om meerdere redenen. Ten eerste als basis voor de wetenschap.
Onderzoeksresultaten kunnen beter met elkaar worden besproken en kennis kan toenemen. Je weet waar je naar
moet kijken.
Daarnaast wordt op basis van classificatiesystemen belangrijke beslissingen genomen. Sommige stoornissen
kunnen op de ene manier beter worden behandeld, terwijl andere stoornissen beter op de andere manier
behandeld kunnen worden.
Ook kan het helpen om het verloop van de ziekte te voorspellen. Schizofrenie volgt bijvoorbeeld een vast patroon,
terwijl een psychose niet heeft. Ook kan het populaties met gelijksoortige patronen van afwijkend gedrag,
emoties en gedachten onderscheiden. Daardoor kan er op zoek worden gegaan naar gemeenschappelijke
factoren en kan het helpen die nieuw licht kunnen werpen op de stoornis.
Twee gangbare classificatiesystemen zijn de DSM-IV (Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders) en
de ICD-10 (International Classification of Disease).
Het overgrote deel van de deskundigen in de geestelijke gezondheidszorg maakt voornamelijk gebruik van de
DSM-IV. Uitgangspunten voor zowel de DSM als de ICD op een aandoening op te nemen is dat er sprake is van:
o Emotioneel lijden (vaak depressie of angst)
o Ernstige belemmeringen in het functioneren (problemen op het werk, in het gezin of in de maatschappij)
o Gedrag dat kan leiden tot persoonlijk lijden, pijn, invaliditeit, zelfverminking of de dood
o De belemmering houdt langere tijd aan en past niet meer in een normale reactie binnen een bepaalde
context.
De DSM-IV gaat er vanuit dat afwijkend gedrag veroorzaakt wordt door complexe interactie van aanlegfactoren
en omgevingsfactoren. Het wordt gebruikt om stoornissen te classificeren, niet om mensen te classificeren.
De DSM-IV heeft vijf assen, die samen een diagnose opleveren en veel aanvullende informatie geven over het
functioneren van de cliënt:
o As 1. Klinische stoornissen.
Patronen van stoornissen die het functioneren van de betrokkenen belemmeren en die stress oproepen.
Voorbeelden: angststoornis, stemmingsstoornis, schizofrenie en andere psychotische stoornissen,
aanpassingsstoornissen en stoornissen die gewoonlijk voor het eerst worden gediagnosticeerd in de
baby-, kinder- of adolescentietijd.
Psychiatrie, een inleiding 1
, o As 2. Persoonlijkheidsstoornissen en zwakzinnigheid.
Persoonlijkheidsstoornissen zijn zeer langdurige, hardnekkige en ongepaste vormen van gedrag
tegenover anderen en emoties, deels als reactie op eisen van buiten af. Voorbeelden: antisociale,
paranoïde, narcistische of borderline persoonlijkheidsstoornis.
Zwakzinnigheid kenmerkt zich door een algemene belemmering van het intellectuele functioneren.
o As 3. Somatische aandoeningen.
Chronische of acute ziekten en somatische aandoeningen die een belangrijke rol spelen in het ontstaan,
het verloop of de behandeling van de psychische stoornis.
o As 4. Psychosociale en omgevingsproblemen.
Problemen in de sociale of fysieke omgeving die invloed hebben op de diagnose, behandeling en
verloop van de psychische stoornis. Voorbeelden: problemen in gezin (door dood familielid, seksueel
misbruik etc.), problemen in sociale omgeving (door dood vriend, discriminatie, aanpassing nieuwe
levensfase), problemen met onderwijs (leerproblemen, slecht onderwijs), problemen op het werk
(verandering van baan, werkloosheid), huisvestingsproblemen (onveilige leefomgeving, dakloosheid),
financiële problemen (extreme armoede), problemen met de gezondheidszorg (onvoldoende verzekerd,
problemen met huisarts), problemen met politie (arrestatie, slachtoffer van misdrijf) en andere
psychosociale problemen (natuurrampen, oorlog, lange wachtlijsten).
o As 5. Globale beoordeling van het functioneren.
Algemeen oordeel over het huidig functioneren op psychologisch, sociaal en beroepsmatig niveau. De
behandelaar kan ook bepalen wat het hoogste niveau is waarop betrokkene het afgelopen jaar minstens
een paar maanden heeft gefunctioneerd. Dit wordt uitgedrukt in een GAF score.
Hoofdstuk 6 Stoornissen die ontstaan in de kindertijd en adolescentie
Risicofactoren voor het ontstaan van jeugdstoornissen:
o Genetische vatbaarheid.
o Stressoren uit de omgeving.
o Gezinsfactoren
o Sekse. Jongens een grotere kans dan meisjes
o Mishandeling/verwaarlozing door ouders/verzorgers.
Pervasieve ontwikkelingsstoornis: een groep ontwikkelingsstoornissen die worden gekenmerkt door een
ernstige verstoring van het gedrag of het functioneren op verscheidene ontwikkelingsgebieden. Hieronder vallen:
o Autisme. Een pervasieve ontwikkelingsstoornis die gekenmerkt wordt door het niet aangaan van relaties
met anderen, niet spreken, verstoord motorisch gedrag, een verstandelijke handicap en behoefte aan
een constante omgeving.
o Syndroom van Asperger. Een pervasieve ontwikkelingsstoornis die wordt gekenmerkt door sociale
tekortkomingen en stereotiep gedrag, maar zonder de aanzienlijke vertraging ten aanzien van
taalontwikkeling en cognitie die bij autisme optreedt.
o Syndroom van Rett. Een pervasieve ontwikkelingsstoornis die alleen bij vrouwen voorkomt en wordt
gekenmerkt door uiteenlopende lichamelijke, gedragsmatige, motorische en cognitieve afwijkingen.
Deze stoornis begint na enkele maanden van ogenschijnlijk normale ontwikkeling.
o Desintegratiestoornis van de kinderleeftijd. Een pervasieve ontwikkelingsstoornis waarbij sprake is
van verlies van eerder verworven vaardigheden en afwijkend functioneren na een periode van
ogenschijnlijk normale ontwikkeling tijdens de eerste twee levensjaren.
o PDD-NOS. Deze wordt gebruikt wanneer het klinische beeld niet past bij een van de gangbare
bovenstaande classificaties, maar er toch aan een stoornis op dit vlak wordt gedacht.
Autisme: een ernstige jeugdstoornis die gekenmerkt wordt door een blijvend onvermogen relaties aan te gaan
met anderen en met hen te communiceren, en door een beperkte hoeveelheid activiteiten en interesses. Ze lijken
vaak in hun eigen wereld te leven.
Kenmerken die veelal voorkomen:
o Taal- en communicatieproblemen. Ze kunnen stom zijn of zeer beperkt in hun verbale capaciteiten.
o Het vermijden van oogcontact en nauwelijks gezichtsuitdrukkingen.
o Het tonen van sterke emoties, met name de negatieve emoties.
o Het maken van herhaalde, doelloze, stereotiepe bewegingen.
o Aversie tegen verandering in de omgeving, vaste patronen aanhouden. Gehecht zijn aan rituelen.
o Moeite met symboliseren: herkennen van emoties, meedoen aan fantasiespellen en inzichtelijk oplossen
van problemen.
o Taken uitvoeren waarbij interactie met anderen nodig is.
Psychiatrie, een inleiding 2