Cognitie en gedrag hoorcolleges deeltentamen 2
Flashbulb memory; geheugen/herinnering als een soort foto (acuraat) van belangrijke
gebeurtenissen herinneringen zijn na een lange tijd niet accuraat meer
Source monitoring; we herinneren ons iets maar we weten niet waar het vandaan komt of waar het
ontstaan is
Hoe ontstaan onbetrouwbare herinneringen;
- Pragmatic inference; proefpersonen vulden in wat ze verwachten op basis van hun kennis;
we weten niet wat er gebeurd is maar vullen in wat er zou passen in die situatie
- Schema’s; we vullen geheugen aan met schema’s (kennis over de omgeving/ situatie wat zou
passen en logisch zou zijn in die bepaalde situatie)
- Scripts; we vullen geheugen aan met scripts (kennis over de volgorde van gebeurtenissen;
wat logisch zou zijn in die bepaalde situatie)
- Suggestie; de vraagstelling beïnvloedde het geheugen voor de gebeurtenis; een suggestie in
de manier hoe dingen gevraagd worden wat je geheugen over een gebeurtenis beïnvloed
Betrouwbaarheid van herinneringen;
- Flashbulb herinneringen zijn vaak onbetrouwbaar
- Mensen kunnen misplaatst vertrouwen in hun geheugen hebben
- Source monitoring gaat vaak mis
- Herinneringen worden aangevuld en aangepast met nieuwe informatie of met
gebeurtenissen die niet plaatsvonden
- Herinneringen kunnen geïmplanteerd worden
Inverse projection problem:
Likelihood principle:
Leren; een relatieve permanente verandering in gedrag door ervaring; een proces waarbij een
ervaring het gedrag van een individu kan veranderen in de toekomst
- Ervaring; door sensorische systemen ontvangen we info uit de omgeving
- Future behaviour; niet direct als response op de stimulatie toen je het leerde
Belangrijk in behaviorisme; de relatie tussen stimulus en respons; relatie tussen observeerbare
stimuli (gebeurtenissen in de omgeving) en observeerbare responsies (het gedrag) reflexen zijn
interessant
Rene descartes; leefde en werkte in Utrecht zijn theorieën zijn door de universiteit en de stad in de
ban gedaan; cognito ergo sum = ik denk dus ik besta; de enige bron van zekerheid ben je zelf
dualist
Dualist; een scheiding tussen lichaam (materiaal en bestudeerbaar) een geest/ ziel (immaterieel &
niet bestudeerbaar) reflexen mogelijk zonder ziel doordat dieren geen ziel hebben en zij reflexen
hebben
Communicatie tussen lichaam en geest; door pijnappelklier (epifyse) enige plek in lichaam dat
niet gelateraliseerd was, er was er maar 1 van
Reflexen; moeilijk te overrulen door de gedachten er maar toe te zetten (cognitieve penetratie)
complex gedrag moet te verklaren zijn door behaviorisme
Wanneer is gedrag complex/ intelligent; leren van gedrag begint simpel en kan steeds meer
uitgebreid worden; er zijn veel processen bij betrokken; Experiments in synethic psychology met
wagentjes die naar of van lichtbron af rijden
Non-associative leren;
- Habituatie; het afzwakken van een reactie bij herhaalde prikkeling, die geen voordeel brengt
en geen nadeel oplevert; voor sommige stimuli die herhaald worden word je minder gevoelig
, tot je ze zelfs bijvoorbeeld niet meer hoort (bv tikken van wekker/klok) je wordt
ongevoeliger
- Sensitisatie; versterken van een reactie bij herhaalde prikkeling door een schadelijke
stimulus (bv een schok); voor sommige stimuli word je alleen maar gevoeliger (bv snurkende
mensen; je gaat je er soms zo aan ergeren dat je functioneren problematisch wordt) je
wordt gevoeliger
Associative leren;
Klassiek conditioneren (Pavlov); het associëren van een neutrale stimulus aan een
ongeconditioneerde respons geconditioneerde respons
De wet van associatie door
nabijheid (contiguity); als twee gebeurtenissen op hetzelfde moment of vlak na elkaar plaatsvinden,
dan zullen deze geassocieerd worden en elkaar oproepen (‘temporeel’ effect) woorden leren aan
kinderen
Extinctie; wanneer je bv alleen een bel laat horen en niet het eten, dan neemt de geconditioneerde
respons (het kwijlen) af afleren van iets
Spontaal herstel; het herstellen van een geconditioneerde respons (de geconditioneerde respons
neemt langzaam af); wanneer je 24 uur na het herhaaldelijk laten horen van een belletje de volgende
dag een bel EN eten geeft, dan vind de geconditioneerde respons (kwijlen) weer meer plaats
Generalisatie; weinig onderscheid maken tussen stimulus; je krijgt wel respons bij bv een andere
kleur maar af neemt naarmate het meer verschilt het de geconditioneerde stimulus; bv wanneer de
geconditioneerde stimulus rood is, zal de respons plaatsvinden wanneer je een lichtere/donkere
kleur rood aanbiedt, wanneer de kleur meer afwijkt van de geconditioneerde stimulus, neemt de
reactie af; er is geen sprake van generalisatie wanneer iemand alleen reageert op 1 specifieke kleur
rood
Discriminatie; wel onderscheid weten te maken tussen de geconditioneerde stimulus en een stimulus
dat erop lijkt zoals een linkere of donkere kleur; geen sprake van generalisatie; je reageert dus niet
op een kleur of vorm dat een beetje lijkt op de geconditioneerde stimulus; je weet onderscheid te
maken
One trial learning; wanneer je 1 ervaring hebt die positief of slecht is, beïnvloed dat je associatie en
daardoor gedrag ervan in de toekomst voedsel aversie; 1 x iets vies eten waardoor je datgeen
associeert met ‘niet lekker’ en dus niet meer eet
Flashbulb memory; geheugen/herinnering als een soort foto (acuraat) van belangrijke
gebeurtenissen herinneringen zijn na een lange tijd niet accuraat meer
Source monitoring; we herinneren ons iets maar we weten niet waar het vandaan komt of waar het
ontstaan is
Hoe ontstaan onbetrouwbare herinneringen;
- Pragmatic inference; proefpersonen vulden in wat ze verwachten op basis van hun kennis;
we weten niet wat er gebeurd is maar vullen in wat er zou passen in die situatie
- Schema’s; we vullen geheugen aan met schema’s (kennis over de omgeving/ situatie wat zou
passen en logisch zou zijn in die bepaalde situatie)
- Scripts; we vullen geheugen aan met scripts (kennis over de volgorde van gebeurtenissen;
wat logisch zou zijn in die bepaalde situatie)
- Suggestie; de vraagstelling beïnvloedde het geheugen voor de gebeurtenis; een suggestie in
de manier hoe dingen gevraagd worden wat je geheugen over een gebeurtenis beïnvloed
Betrouwbaarheid van herinneringen;
- Flashbulb herinneringen zijn vaak onbetrouwbaar
- Mensen kunnen misplaatst vertrouwen in hun geheugen hebben
- Source monitoring gaat vaak mis
- Herinneringen worden aangevuld en aangepast met nieuwe informatie of met
gebeurtenissen die niet plaatsvonden
- Herinneringen kunnen geïmplanteerd worden
Inverse projection problem:
Likelihood principle:
Leren; een relatieve permanente verandering in gedrag door ervaring; een proces waarbij een
ervaring het gedrag van een individu kan veranderen in de toekomst
- Ervaring; door sensorische systemen ontvangen we info uit de omgeving
- Future behaviour; niet direct als response op de stimulatie toen je het leerde
Belangrijk in behaviorisme; de relatie tussen stimulus en respons; relatie tussen observeerbare
stimuli (gebeurtenissen in de omgeving) en observeerbare responsies (het gedrag) reflexen zijn
interessant
Rene descartes; leefde en werkte in Utrecht zijn theorieën zijn door de universiteit en de stad in de
ban gedaan; cognito ergo sum = ik denk dus ik besta; de enige bron van zekerheid ben je zelf
dualist
Dualist; een scheiding tussen lichaam (materiaal en bestudeerbaar) een geest/ ziel (immaterieel &
niet bestudeerbaar) reflexen mogelijk zonder ziel doordat dieren geen ziel hebben en zij reflexen
hebben
Communicatie tussen lichaam en geest; door pijnappelklier (epifyse) enige plek in lichaam dat
niet gelateraliseerd was, er was er maar 1 van
Reflexen; moeilijk te overrulen door de gedachten er maar toe te zetten (cognitieve penetratie)
complex gedrag moet te verklaren zijn door behaviorisme
Wanneer is gedrag complex/ intelligent; leren van gedrag begint simpel en kan steeds meer
uitgebreid worden; er zijn veel processen bij betrokken; Experiments in synethic psychology met
wagentjes die naar of van lichtbron af rijden
Non-associative leren;
- Habituatie; het afzwakken van een reactie bij herhaalde prikkeling, die geen voordeel brengt
en geen nadeel oplevert; voor sommige stimuli die herhaald worden word je minder gevoelig
, tot je ze zelfs bijvoorbeeld niet meer hoort (bv tikken van wekker/klok) je wordt
ongevoeliger
- Sensitisatie; versterken van een reactie bij herhaalde prikkeling door een schadelijke
stimulus (bv een schok); voor sommige stimuli word je alleen maar gevoeliger (bv snurkende
mensen; je gaat je er soms zo aan ergeren dat je functioneren problematisch wordt) je
wordt gevoeliger
Associative leren;
Klassiek conditioneren (Pavlov); het associëren van een neutrale stimulus aan een
ongeconditioneerde respons geconditioneerde respons
De wet van associatie door
nabijheid (contiguity); als twee gebeurtenissen op hetzelfde moment of vlak na elkaar plaatsvinden,
dan zullen deze geassocieerd worden en elkaar oproepen (‘temporeel’ effect) woorden leren aan
kinderen
Extinctie; wanneer je bv alleen een bel laat horen en niet het eten, dan neemt de geconditioneerde
respons (het kwijlen) af afleren van iets
Spontaal herstel; het herstellen van een geconditioneerde respons (de geconditioneerde respons
neemt langzaam af); wanneer je 24 uur na het herhaaldelijk laten horen van een belletje de volgende
dag een bel EN eten geeft, dan vind de geconditioneerde respons (kwijlen) weer meer plaats
Generalisatie; weinig onderscheid maken tussen stimulus; je krijgt wel respons bij bv een andere
kleur maar af neemt naarmate het meer verschilt het de geconditioneerde stimulus; bv wanneer de
geconditioneerde stimulus rood is, zal de respons plaatsvinden wanneer je een lichtere/donkere
kleur rood aanbiedt, wanneer de kleur meer afwijkt van de geconditioneerde stimulus, neemt de
reactie af; er is geen sprake van generalisatie wanneer iemand alleen reageert op 1 specifieke kleur
rood
Discriminatie; wel onderscheid weten te maken tussen de geconditioneerde stimulus en een stimulus
dat erop lijkt zoals een linkere of donkere kleur; geen sprake van generalisatie; je reageert dus niet
op een kleur of vorm dat een beetje lijkt op de geconditioneerde stimulus; je weet onderscheid te
maken
One trial learning; wanneer je 1 ervaring hebt die positief of slecht is, beïnvloed dat je associatie en
daardoor gedrag ervan in de toekomst voedsel aversie; 1 x iets vies eten waardoor je datgeen
associeert met ‘niet lekker’ en dus niet meer eet