[1]
1. eigen vermogen
2. vreemd vermogen
[2] A
[3]
a. 300. 000 − (200. 000 + 30. 000 + 20. 000 + 30. 000 + 10. 000) = 10. 000
De grootte van de kas is dus €10.000.
b. Een balans is altijd in evenwicht, dus we kunnen redeneren dat het totaal aan
de passivakant €300.000 is.
300. 000 − (200. 000 + 30. 000 + 10. 000) = 60. 000
De grootte van het eigen vermogen is dus €60.000
c. Bij vraag 3a hebben we berekend dat de kas €10.000 is. Er is nog een extra €
10.000 euro bij de bank. Beide behoren tot de liquide activa.
10. 000 + 10. 000 = 20. 000
De grootte van de liquide activa is dus €20.000.
[4]
a. De bank verandert; deze gaat met €500 omhoog.
35
b. 40 000 · 100
= 14 000
15
40 000 · 100
= 6 000
Er komt dus €14.000 contant bij, €6.000 aan pinbetaling, en €20.000 euro aan
krediet.
De kas gaat met €14.000 omlaag, en de bank gaat met €6.000 omlaag.
[5]
a. Het totaal vermogen is €340.000. Hiervan is €100.000 eigen vermogen.
100 000
340 000
· 100% = 29, 4%
De grootte van het eigen vermogen is dus 29,4% van het totaal vermogen.
b. We weten van vraag 5a dat het totaal vermogen €340.000 is.
340. 000 − (200. 000 − 30. 000 − 80. 000 − 10. 000 − 10. 000) = 10. 000
De grootte van de voorraden is dus €10.000.
[6] A
[7] B