Memorandum Europees recht
Aan: Mevrouw Jaikaran
Van:
Datum: 17 mei 2022
Betreft: Nieuwe regels gemeentelijke verordening met betrekking tot het bieden van opvang.
U heeft mij onlangs gevraagd de zaak van Stefana uit Polen te bestuderen en daarover het een en
ander voor u uit te zoeken. Ik zal u daarover informeren middels dit memorandum. Het onderwerp
dat hier centraal staat is het nieuwe wetsvoorstel voor de gemeentelijke verordening inzake het
bieden van opvang. In dit geval zal ik u aanraden voorstel 1 op te nemen in de verordening. Het
Europese recht heeft hier voorrang boven het nationale recht van de lidstaten. Uit het arrest
Costa/ENEL blijkt dat dit op dezelfde wijze moet worden toegepast.
Beoordeling rechter
Europese richtlijnen hebben geen horizontale werkingen zijn daarmee uitsluitend gericht tot
lidstaten. Een richtlijn heeft een rechtstreekse verticale werking voor de lidstaten. Dat houdt in dat
een burger zich jegens een overheidsorgaan kan beroepen op deze richtlijnen.
Het is aan de nationale wetgever de taak om de richtlijnen op de juiste manier en tijdig te
implementeren in het nationale recht. De criteria waar aan voldaan moet zijn zodat de rechten van
Stefana worden beschermd en zij zich kan beroepen op deze richtlijn vinden grondslag in het
arrest van Gend en Loos1. De rechter beoordeelt aan de hand van de criteria uit dit arrest of
Stefana een beroep kan doen op art. 11 van Richtlijn 2011/36/EU:
Dit arrest bepaalt dat rechtstreekse werking alleen mogelijk is, indien:
1. Deze onvoorwaardelijk is en;
2. voldoende nauwkeurig is en;
3. Concreet is
Deze directe werking wil zeggen dat een burger zonder tussenkomst van de lidstaat voor de
nationale rechter een beroep kan doen op de bepaling. Deze rechtstreekse werking is van
toepassing wanneer de lidstaat de richtlijn niet binnen de termijn heeft geïmplementeerd in het
nationale recht. De termijn voor het omzetten naar nationaal recht moet dus zijn verlopen. In dit
geval zijn zij te laat en kunnen de uit de richtlijn doorvloeiende verplichtingen die niet nagekomen
zijn, niet aan Stefana worden tegengeworpen2 .
Toepassing wet- en regelgeving
Indien de rechter oordeelt dat aan de criteria van het arrest van Gend en Loos wordt voldaan en
deze richtlijn daardoor rechtstreekse werking zal hebben, dan zal hij oordelen dat deze richtlijn
boven het nationale recht staat op grond van het voorrangsbeginsel. De rechter zal dan deze
richtlijnbepaling toepassen en niet art. 1.2.2 lid 2 WMO. Dit voorrangsbeginsel is gebaseerd op
een uitspraak van het Hof waarin het heeft bepaald dat de overheid van Milaan rekening moest
houden met het Unierecht zelfs als dat in strijd is met de nationale wetgeving3.
De rechter heeft in het geval van rechtstreekse werking de verplichting om het nationale recht, in
dit geval art. 1.2.2 lid 2 WMO naast zich neer te leggen en de Unierechterlijke bepaling toe te
passen. Dit heeft het Hof bepaald in het arrest Costa/ENEL4. De rechter zal dus de
richtlijnbepaling toepassen, omdat de WMO en daarmee ook dit specifieke artikel lagere
regelgeving is.
1 HvJ EU 5 februari 1963, C-26/63, ECLI:EU:C:1963:1 (Van Gend en Loos)
2 HvJ EU 12 juli 1990, C-188/89, ECLI:EU:C:1990:313 (Foster)
3 HvJ EU 22 juni 1989, C-103/88, ECLI:EU:C:1989:256 (Fratelli Costanzo)
4 HvJ EU 15 juli 1964, C-6/64, ECLI:EU:C:1964:66 (Costa/ENEL)
Aan: Mevrouw Jaikaran
Van:
Datum: 17 mei 2022
Betreft: Nieuwe regels gemeentelijke verordening met betrekking tot het bieden van opvang.
U heeft mij onlangs gevraagd de zaak van Stefana uit Polen te bestuderen en daarover het een en
ander voor u uit te zoeken. Ik zal u daarover informeren middels dit memorandum. Het onderwerp
dat hier centraal staat is het nieuwe wetsvoorstel voor de gemeentelijke verordening inzake het
bieden van opvang. In dit geval zal ik u aanraden voorstel 1 op te nemen in de verordening. Het
Europese recht heeft hier voorrang boven het nationale recht van de lidstaten. Uit het arrest
Costa/ENEL blijkt dat dit op dezelfde wijze moet worden toegepast.
Beoordeling rechter
Europese richtlijnen hebben geen horizontale werkingen zijn daarmee uitsluitend gericht tot
lidstaten. Een richtlijn heeft een rechtstreekse verticale werking voor de lidstaten. Dat houdt in dat
een burger zich jegens een overheidsorgaan kan beroepen op deze richtlijnen.
Het is aan de nationale wetgever de taak om de richtlijnen op de juiste manier en tijdig te
implementeren in het nationale recht. De criteria waar aan voldaan moet zijn zodat de rechten van
Stefana worden beschermd en zij zich kan beroepen op deze richtlijn vinden grondslag in het
arrest van Gend en Loos1. De rechter beoordeelt aan de hand van de criteria uit dit arrest of
Stefana een beroep kan doen op art. 11 van Richtlijn 2011/36/EU:
Dit arrest bepaalt dat rechtstreekse werking alleen mogelijk is, indien:
1. Deze onvoorwaardelijk is en;
2. voldoende nauwkeurig is en;
3. Concreet is
Deze directe werking wil zeggen dat een burger zonder tussenkomst van de lidstaat voor de
nationale rechter een beroep kan doen op de bepaling. Deze rechtstreekse werking is van
toepassing wanneer de lidstaat de richtlijn niet binnen de termijn heeft geïmplementeerd in het
nationale recht. De termijn voor het omzetten naar nationaal recht moet dus zijn verlopen. In dit
geval zijn zij te laat en kunnen de uit de richtlijn doorvloeiende verplichtingen die niet nagekomen
zijn, niet aan Stefana worden tegengeworpen2 .
Toepassing wet- en regelgeving
Indien de rechter oordeelt dat aan de criteria van het arrest van Gend en Loos wordt voldaan en
deze richtlijn daardoor rechtstreekse werking zal hebben, dan zal hij oordelen dat deze richtlijn
boven het nationale recht staat op grond van het voorrangsbeginsel. De rechter zal dan deze
richtlijnbepaling toepassen en niet art. 1.2.2 lid 2 WMO. Dit voorrangsbeginsel is gebaseerd op
een uitspraak van het Hof waarin het heeft bepaald dat de overheid van Milaan rekening moest
houden met het Unierecht zelfs als dat in strijd is met de nationale wetgeving3.
De rechter heeft in het geval van rechtstreekse werking de verplichting om het nationale recht, in
dit geval art. 1.2.2 lid 2 WMO naast zich neer te leggen en de Unierechterlijke bepaling toe te
passen. Dit heeft het Hof bepaald in het arrest Costa/ENEL4. De rechter zal dus de
richtlijnbepaling toepassen, omdat de WMO en daarmee ook dit specifieke artikel lagere
regelgeving is.
1 HvJ EU 5 februari 1963, C-26/63, ECLI:EU:C:1963:1 (Van Gend en Loos)
2 HvJ EU 12 juli 1990, C-188/89, ECLI:EU:C:1990:313 (Foster)
3 HvJ EU 22 juni 1989, C-103/88, ECLI:EU:C:1989:256 (Fratelli Costanzo)
4 HvJ EU 15 juli 1964, C-6/64, ECLI:EU:C:1964:66 (Costa/ENEL)