LES 1 EN 2
KENMERKEN VAN HET LEVEN
1.) Ademhalen
2.) Voeden
3.) Uitscheiden
4.) Bewegen
5.) Waarnemen
6.) Groeien
7.) Voortplanten
CELLEN
Wat is een cel?
De cel is de kleinste levende eenheid (deeltje). Ze is de basis bouwsteen. De cel is de
functionele, fundamentele stofwisselingseenheid, van een organisme.
DE BOUW VAN EEN CEL
-Celmembraan/transport
-Cytoplasma met verschillende organellen
ORGANELLEN FUNCTIES
1. Nucleus (celkern): regeling stofwisselingsactiviteiten in de cel, bevat al het erfelijke
materiaal.
2. Ribosomen: spelen een essentiële rol bij de eiwitsynthese
3. Endoplasmatisch reticulum (ER):
- Ruw ER: veel ribosomen
- Glad ER: spelen een rol bij de lipidenaanmaak voor celmembranen
4. Golgicomplex: in samenwerking met andere organellen bv ruw ER, zorgen voor
transport
5. Mitochondriën: zijn de energieleveranciers van de cel. glucoseverbranding en energie
(ATP) vrij maken.
6. Lysosoom: kleine blaasjes die verschillende enzymen kunnen bevatten: Spelen een
belangrijke rol bij intracellulaire vertering van voedseldeeltjes die via de endocytose
de cel binnenkomen. Ze houden zich bezig met het opruimen van ongerechtigheden in
de cel zoals oude organellen of gefacocyteerde bacteriën
7. Centrosoom: celdeling
,CELDELING
1. Mitose (gewone celdeling)
Doel:
1. Groei
2. Herstel
3. Vervangen
‘
Kenmerken: verdubbeling van het erfelijk
Materiaal (chromosomen) -> twee
Dochtercellen (ieder 46 chromosomen)
Meiose (reductiedeling)
Doel:
Gameten vormen/ geslachtscellen, zaadcellen en eicellen
, BEGRIPPEN//
Cytologie
Is de wetenschap die zich bezighouden met het bestuderen van de cellen; op type en
ziektebeeld
Histologie
Is de wetenschap die zich bezighouden met het bestuderen van de bouw en de bijzondere
functies (specialisaties) van weefsels, dus van cellen die dezelfde functie vervullen of samen
een orgaan vormen.
Orgaan
Is een deel van een organisme met één of meerdere functies. Een orgaan bestaat uit
verschillende weefsels.
Organenstelsel
Is een groep organen die samen een bepaalde functie hebben.
Dus het menselijk lichaam heeft een hiërarchische opbouw: Cel-weefsel-orgaan-orgaanstelsel-
organisme.
Milieu extérieur m.e.
Is de buitenwereld, de uitwendige omgeving van t lichaam, ook de holten die met de
buitenwereld in contact staan bv. darmholte.
Milieu intérieur m.i.
Is de inwendige ruimte, binnen het lichaam, het waterige milieu waarmee de weefselcellen
omringd zijn.
Wat is Weefselvocht of interstitiële vloeistof
zowel het vocht in het weefsel, buiten de cellen extracellulaire vocht als het bloed en de
lymfe.