Samenvatting natuurkunde hoofdstuk 7
Paragraaf 1
Elektromagnetische golven= elektronen die op en neer bewegen met een hoge
frequentie.
Lichtsnelheid=de snelheid van elektromagnetische golven
De golflengte= de afstand tussen 2 golftoppen (moet je effe opschrijven )
Elektromagnetische straling= voorbeelden zijn: radiogolven, infrarood, röntgenstraling
Als elektromagnetische straling op een voorwerp valt, kunnen er 3 dingen gebeuren:
1. Doorgelaten zoals bij zonlicht door een ruit
2. Gereflecteerd als licht wordt weerkaatst bij een spiegel of een witte muur
3. Geabsorbeerd dat zie je als een dik zwart gordijn wit licht opslokt en omzet in warmte.
Paragraaf 2
Atoom= het kleinste deel(bouwsteen molecuul).
Element= Een stof die niet verder ontleed kan worden.
Proton= Bevindt zich in kernatoom
- Lading: Positief(+)
- Massa: Klein
Neutron= Bevindt zich in de kernatoom
- Lading: Neutraal
- Massa: Klein
Elektron= Beweegt zich rond de kern
- Lading: Negatief(-)
- Massa: Heel klein(verwaarloosbaar)
Atoomnummer= Aantal protonen
Isotoop= Variant van element(ander aantal neutronen, maar zelfde aantal protonen)
Massagetal= Aantal protonen + neutronen
Paragraaf 3
Ioniserende straling= Straling die moleculen kapot maken.
Niet ioniserende straling= Straling met een lagere energie
Radioactief= Straling die opeens ioniserende straling uitzenden.
Natuurlijk radioactief= radioactieve stoffen van natuurlijke oorsprong.
Kunstmatig radioactief=door de mens radioactieve stoffen gemaakt.
Dosimeter= registreert hoeveel straling de drager bij het werk oploopt.
Stabiele atoomkern= atoomkern die niet zomaar veranderd.
Instabiele atoomkern= atoomkern die opeens veranderd en ioniserende straling
uitzend.
Natuurlijke isotoop= isotopen uit de natuur
Radioactief verval= instabiele atoomkernen die veranderen
Alfaverval= er vliegt een alfadeeltje uit de kern
- Letter: a
- Bestaat uit: 2 neutronen en 2 protonen
- Massagetal: -4
- Atoomnummer: -2
Paragraaf 1
Elektromagnetische golven= elektronen die op en neer bewegen met een hoge
frequentie.
Lichtsnelheid=de snelheid van elektromagnetische golven
De golflengte= de afstand tussen 2 golftoppen (moet je effe opschrijven )
Elektromagnetische straling= voorbeelden zijn: radiogolven, infrarood, röntgenstraling
Als elektromagnetische straling op een voorwerp valt, kunnen er 3 dingen gebeuren:
1. Doorgelaten zoals bij zonlicht door een ruit
2. Gereflecteerd als licht wordt weerkaatst bij een spiegel of een witte muur
3. Geabsorbeerd dat zie je als een dik zwart gordijn wit licht opslokt en omzet in warmte.
Paragraaf 2
Atoom= het kleinste deel(bouwsteen molecuul).
Element= Een stof die niet verder ontleed kan worden.
Proton= Bevindt zich in kernatoom
- Lading: Positief(+)
- Massa: Klein
Neutron= Bevindt zich in de kernatoom
- Lading: Neutraal
- Massa: Klein
Elektron= Beweegt zich rond de kern
- Lading: Negatief(-)
- Massa: Heel klein(verwaarloosbaar)
Atoomnummer= Aantal protonen
Isotoop= Variant van element(ander aantal neutronen, maar zelfde aantal protonen)
Massagetal= Aantal protonen + neutronen
Paragraaf 3
Ioniserende straling= Straling die moleculen kapot maken.
Niet ioniserende straling= Straling met een lagere energie
Radioactief= Straling die opeens ioniserende straling uitzenden.
Natuurlijk radioactief= radioactieve stoffen van natuurlijke oorsprong.
Kunstmatig radioactief=door de mens radioactieve stoffen gemaakt.
Dosimeter= registreert hoeveel straling de drager bij het werk oploopt.
Stabiele atoomkern= atoomkern die niet zomaar veranderd.
Instabiele atoomkern= atoomkern die opeens veranderd en ioniserende straling
uitzend.
Natuurlijke isotoop= isotopen uit de natuur
Radioactief verval= instabiele atoomkernen die veranderen
Alfaverval= er vliegt een alfadeeltje uit de kern
- Letter: a
- Bestaat uit: 2 neutronen en 2 protonen
- Massagetal: -4
- Atoomnummer: -2