Week 1: Inleiding strafrecht en het rechterlijke beslissingsschema: H1, H7 en H11
1. De student kan met behulp van de wet uitleggen of een delict valt onder een misdrijf of
overtreding en waarom dit onderscheid van belang is voor het strafrecht.
Boek 2 = misdrijven (art 91-421)
Boek 3 = overtredingen (art 422 e.v.)
Misdrijven Overtredingen
Zwaardere feiten Lichte feiten
Poging/voorbereiding is strafbaar Poging/ voorbereiding is niet strafbaar
Medeplichtigheid is strafbaar Medeplichtigheid is niet strafbaar
Voorlopige hechtenis is mogelijk Geen voorlopige hechtenis
Berechting door rechtbank Berechting door kantonrechter
Gevangenisstraf Geen gevangenisstraf
Bijzondere wetten:
Artt. 2 WED, 55 WWM, 13 Opw, 178 WvW
2. De student kan met behulp van de wet de belangrijkste procesdeelnemers uit het
strafprocesrecht en diens rechten en plichten opnoemen.
Verdachte = art 27 SV
Opsporingsambtenaar = artt. 126 jo 141 Sv
(hulp) officieer van Justitie = artt. 146a jo 148 Sv
Rechter-Commissaris
Rechter
Raadsman
Getuigen
Deskundigen
Slachtoffer
OM
Griffier
Tolken
Reclassering
Raad voor Kinderbescherming
3. De student kan in een gegeven casus aangeven of sprake is van een verdachte krachtens
artikel 27 Sv.
Rg: als verdachte aangemerkt (voordat de vervolging is aangegeven)
Rv1a: feiten
Rv1b: omstandigheden
Rv2: redelijk vermoeden van schuld
Rv3: strafbaar feit is gepleegd
Eventueel extra rechtsvoorwaarden
Rv4: persoon
, Rv5: vervolging is nog niet aangevangen
4. De student kan de acht vragen van het rechterlijke beslissingsmodel van art. 348 en 350 Sv
toepassen op een gegeven casus en de bijbehorende uitspraken van de rechter voorspellen.
Om een uitspraak te kunnen doen moet de rechter 3 typen vragen beantwoorden:
1. Formele vragen ( voorvragen ) = art 348 Sv
2. Materiele vragen ( hoofdvragen ) = art 350 Sv
3. Straftoemetingsvraag
Art 348 Sv
- Is de dagvaarding geldig?
- Is de rechter bevoegd?
- Is de officieer van justitie ontvankelijk?
- Is er reden tot schorsing der vervolging?
Art 350 Sv
- Is bewezen dat het ten laste gelegde feit door de verdachte is begaan?
Zo nee, de verdachte wordt vrijgesproken
- Levert het een strafbaar feit op?
OVAR vanwege niet strafbaarheid van het feit
- Is de verdachte strafbaar/ is de verdachte verwijtbaar?
OVAR vanwege niet strafbaarheid van de dader
- Welke straf of maatregel moet er worden opgelegd?
Art 351 Sv
Week 2: Materieel stafrecht en verwijtbaarheid: H2 en H3
5. De student kan uitleggen uit welke vier componenten / voorwaarden / lagen het strafbaar
feit is opgebouwd en kan deze koppelen aan artikel 350 Sv.
KIJK NAAR ART. 350 SV! = materieel strafrecht
- De menselijke gedraging
het strafbare feit moet gepleegd zijn door een mens en het moet een gedraging zijn.
voor gedachten kan je niet gestraft worden.
- De wettelijke delictsomschrijving
De gedraging moet in de strafwet terug te vinden zijn.
- De wederrechtelijkheid
Dit betekent de veronderstelde afwezigheid van een geldig excuus voor het vervullen
van de delictsomschrijving.
Men handelt in strijd met de eisen van het recht, er wordt een rechtsnorm
overtreden.
Kijk hier ook naar de rechtvaardigheidsgronden.
- Schuld/ verwijtbaarheid
1. De student kan met behulp van de wet uitleggen of een delict valt onder een misdrijf of
overtreding en waarom dit onderscheid van belang is voor het strafrecht.
Boek 2 = misdrijven (art 91-421)
Boek 3 = overtredingen (art 422 e.v.)
Misdrijven Overtredingen
Zwaardere feiten Lichte feiten
Poging/voorbereiding is strafbaar Poging/ voorbereiding is niet strafbaar
Medeplichtigheid is strafbaar Medeplichtigheid is niet strafbaar
Voorlopige hechtenis is mogelijk Geen voorlopige hechtenis
Berechting door rechtbank Berechting door kantonrechter
Gevangenisstraf Geen gevangenisstraf
Bijzondere wetten:
Artt. 2 WED, 55 WWM, 13 Opw, 178 WvW
2. De student kan met behulp van de wet de belangrijkste procesdeelnemers uit het
strafprocesrecht en diens rechten en plichten opnoemen.
Verdachte = art 27 SV
Opsporingsambtenaar = artt. 126 jo 141 Sv
(hulp) officieer van Justitie = artt. 146a jo 148 Sv
Rechter-Commissaris
Rechter
Raadsman
Getuigen
Deskundigen
Slachtoffer
OM
Griffier
Tolken
Reclassering
Raad voor Kinderbescherming
3. De student kan in een gegeven casus aangeven of sprake is van een verdachte krachtens
artikel 27 Sv.
Rg: als verdachte aangemerkt (voordat de vervolging is aangegeven)
Rv1a: feiten
Rv1b: omstandigheden
Rv2: redelijk vermoeden van schuld
Rv3: strafbaar feit is gepleegd
Eventueel extra rechtsvoorwaarden
Rv4: persoon
, Rv5: vervolging is nog niet aangevangen
4. De student kan de acht vragen van het rechterlijke beslissingsmodel van art. 348 en 350 Sv
toepassen op een gegeven casus en de bijbehorende uitspraken van de rechter voorspellen.
Om een uitspraak te kunnen doen moet de rechter 3 typen vragen beantwoorden:
1. Formele vragen ( voorvragen ) = art 348 Sv
2. Materiele vragen ( hoofdvragen ) = art 350 Sv
3. Straftoemetingsvraag
Art 348 Sv
- Is de dagvaarding geldig?
- Is de rechter bevoegd?
- Is de officieer van justitie ontvankelijk?
- Is er reden tot schorsing der vervolging?
Art 350 Sv
- Is bewezen dat het ten laste gelegde feit door de verdachte is begaan?
Zo nee, de verdachte wordt vrijgesproken
- Levert het een strafbaar feit op?
OVAR vanwege niet strafbaarheid van het feit
- Is de verdachte strafbaar/ is de verdachte verwijtbaar?
OVAR vanwege niet strafbaarheid van de dader
- Welke straf of maatregel moet er worden opgelegd?
Art 351 Sv
Week 2: Materieel stafrecht en verwijtbaarheid: H2 en H3
5. De student kan uitleggen uit welke vier componenten / voorwaarden / lagen het strafbaar
feit is opgebouwd en kan deze koppelen aan artikel 350 Sv.
KIJK NAAR ART. 350 SV! = materieel strafrecht
- De menselijke gedraging
het strafbare feit moet gepleegd zijn door een mens en het moet een gedraging zijn.
voor gedachten kan je niet gestraft worden.
- De wettelijke delictsomschrijving
De gedraging moet in de strafwet terug te vinden zijn.
- De wederrechtelijkheid
Dit betekent de veronderstelde afwezigheid van een geldig excuus voor het vervullen
van de delictsomschrijving.
Men handelt in strijd met de eisen van het recht, er wordt een rechtsnorm
overtreden.
Kijk hier ook naar de rechtvaardigheidsgronden.
- Schuld/ verwijtbaarheid