2.2 De-escalerend
werken
Hanze Hogeschool Groningen – Academie
voor verpleegkunde
.
Naam Student:
Studentnummer:
Opleiding: HBO-Verpleegkunde
Docent:
Datum: 23 januari 2015
Groep:
, Fase 1 Handelen/ervaring opdoen
In plaats van gebruik te maken van een casus waar ik uit mocht kiezen, heb ik ervoor
gekozen om een casus te gebruiken uit mijn eigen werkveld.
De casus gaat over Roelie. Roelie heeft de diagnose vasculaire dementie. Roelie is bekend
met het feit dat ze soms in de rol van haar moeder treedt. Op dat moment wordt ze boos, en
schreeuwt ze tegen zichzelf. Roelie krijgt meerdere keren per week ’s middags visite van
haar twee dochters. Op het moment van afscheid is Roelie ontroostbaar en wil ze niet
meewerken met de verpleging.
Het moment in het filmpje is als volgt: Roelie haar dochter zijn een half uur geleden
weggegaan en het is etenstijd. Ik kom naar Roelie toe om haar te vragen of ik haar mee mag
nemen om aan tafel te gaan. Ze is rolstoelafhankelijk en heeft dus hulp nodig van de
verpleging. Roelie wil dit niet en de onderhandeling kan van start gaan.
Mijn rol in deze situatie is om Roelie te overtuigen van het feit dat we gaan eten en dat we
met zijn allen aan tafel gaan zitten. Zij wil dit niet en heeft liever een advocaatje met
slagroom en een schaaltje chips. Het is van belang om te onderhandelen: ga ik akkoord met
een advocaatje met slagroom en een schaaltje chips, of ga ik haar proberen over te halen
om toch aan tafel te gaan zitten.
Samenvatting: Roelie weet niet wat ze wil. Het ene moment geeft ze aan aan tafel te willen
en het andere moment wil ze absoluut niet. Ze weet aan te geven dat ze visite heeft gehad
en dat ze alleen maar advocaat en chips wil. Ik ga in op het laatste. Hoe lekker het is, e.d.
Er wordt uitgelegd dat het niet het goede moment is, en dat het wel mogelijk is om het
vanavond na de koffie te nemen. Op dit moment is het tijd voor de warme maaltijd.
Roelie blijft bij haar standpunt en er volgt een lange stilte. Aan het einde van de stilte begint
ze te lachen. Ik haak hierop in door te vragen wat er zo grappig is.
Wanneer onderhandeling niet mogelijk is, wordt er aangegeven dat ze toch meegenomen
wordt aan tafel. Roelie is rolstoelafhankelijk en heeft op dat moment eigenlijk geen keuze.
Op het moment dat ze aan tafel zit, draait ze bij en heeft ze wel degelijk zin in eten.
Fase 2 Terugblikken
Wat is er gezegd door de student: Op verschillende manieren heb ik een invalshoek
proberen te pakken om het gesprek positief om te draaien, met als gevolg dat Roelie wel aan
tafel wou. Ik heb duidelijk aangegeven dat een advocaatje met slagroom en een schaaltje
chips op dat moment niet doorgaat. Wel probeer ik een compromis te sluiten om het later op
de avond te nuttigen. Op een gegeven moment valt er een lange stilte, waarna ik het
gesprek een grappige wending weet te geven. Ik vraag wat er zo grappig is, met als doel
Roelie op andere gedachten te brengen.
Wat is er gedaan door de student (non-verbaal): Ik heb een houding aangenomen op
dezelfde hoogte als Roelie. Ik ben op mijn hurken gaan zitten, om aan te geven dat ik niet op
haar neerkijk. Maar dat we op dezelfde golflengte zitten. Het kan heel intimiderend
overkomen om te gaan staan naast een cliënt die rolstoelafhankelijk is.
Wat dacht en voelde ik: Ik voelde dat ik geen ingang kreeg en dat Roelie bij haar standpunt
bleef. Er gingen allerlei scenario’s door mij heen hoe het ook zou kunnen en hoe ik dat zou
kunnen toepassen op haar. Op een gegeven moment wist ik mij even geen raad meer en
besloot ik om een stilte in te zetten. Hopende op een situatie waarin ze zou gaan lachen,
omdat het natuurlijk heel raar is. Dat gebeurde en het voelde voor mij als een kleine
overwinning. Des ondanks is het niet gelukt om haar met praten over te halen en besloot ik