HZ PABO
Leerjaar 2.
Nederlands Kennisbasis samenvatting:
HZ PABO leerjaar 2.
In deze samenvatting zijn de domeinen: woordenschat, beginnende geletterdheid,
voortgezet technisch lezen, begrijpend lezen en taalbeschouwing samengevat.
Ook zit er een herhaling over fonemen, morfemen en grafemen in.
Boek: Basiskennis taalonderwijs eerste druk.
Auteurs: Henk Huizenga en Rolf Robbe.
ISBN- 978-90-01-82296-5.
, Angela Smit
HZ PABO
Leerjaar 2.
Domein woordenschat:
Alle woorden die kinderen leren worden opgeslagen in het mentaal lexicon.
We onderscheiden de volgende identiteiten van een woord:
Akoestische identiteit: de wijze waarop een woord klinkt. Het woord garage, klinkt als
gaaraazju.
Articulatorische identiteit: de wijze waarop je het woord moet uitspreken.’
Fonologische identiteit: de akoestische en articulatorische identiteit samen. Deze zijn
nauw met elkaar verweven.
Morfologische identiteit: de wijze waarop een woord is opgebouwd. Je weet
bijvoorbeeld dat het woord politiebureau bestaat uit /politie/ en /bureau/ en samen
kan je het woord maken.
Semantische identiteit: de betekenis van een woord.
Syntactische identiteit: de mogelijkheden van een woord om met andere woorden
gecombineerd te worden.
Orthografische identiteit: de spelling van een woord. De spelling wijkt soms sterk af
van de uitspraak van een woord.
Vanaf 1 jaar leren kinderen de concrete betekenissen van woorden. Ze leren dat taal verwijst
naar dingen om hen heen.
Vanaf twee jaar maken kinderen zich de abstracte betekenis van woorden zich eigen.
Vanaf drie a vier jaar ligt de nadruk meer op verschillende relaties met een woord.
Diepe woordkennis: kinderen breiden hun woordenschat niet alleen maar uit door
steeds meer woorden te leren, maar ook door de betekenis van woorden die ze al
kennen uit te diepen.
Woorden die kinderen gebruiken om met elkaar te communiceren noemen we de
productieve woordenschat.
De passieve woordenschat zijn woorden die de leerlingen begrijpen of waarvan ze de
betekenis kennen.
Drie belangrijkste principes voor de woordenschatverwerving:
1. Labelen: bij labelen koppel je een woord aan een voorwerp of gebeurtenis uit de
werkelijkheid. Labelen vind altijd plaats in een concrete context, waarbij je je
zintuigen kunt inschakelen.
2. Categoriseren: als een kind een aantal woorden kent, kan het ook betekenissen met
elkaar combineren en woorden onderbrengen bij overkoepelende begrippen.
3. Netwerkopbouw: allerlei betekenissen in het geheugen aan elkaar koppelen. Een
soort mindmap in je eigen hoofd.