Week 1 1
ZSO’s 1
College’s 7
Week 2 15
ZSO’s 15
College’s 23
Week 3 27
ZSO’s 27
College’s 40
Week 4 49
ZSO’S 49
College’s 58
Week 5 63
ZSO’s 63
College’s 73
Week 6 80
ZSO’s 80
College’s 96
Week 7 106
ZSO’s 106
College’s 123
Week 8 133
ZSO’s + college’s 133
Week 1
ZSO’s
ZSO - Glucose- en vetmetabolisme
Substraat Eindproduct Energie (nodig Cel compartiment
+, levert -)
Glycolyse Glucose 2 Pyruvaat + Cytosol
1
,Pyruvaat naar Pyruvaat Acetyl-CoA + Mitochondriën
Acetyl-CoA
Citroenzuurcyclus Acetyl-CoA CO2 + Mitochondriën
Glycogenese Glucose Glycogeen - Cytosol
Glycogenolyse Glycogeen Glucose + Cytosol
Glyconeogenese Lactaat, Glucose - Mitochondriën, cytosol,
aminozuren, ER
glycerol
Vetzuurafbraak Vetzuur Acetyl-CoA + Mitochondriën
Vetzuursynthese Acetyl-CoA Palmitaat - Cytosol
Lipolyse in Vet Glycerol, Cytosol
vetzuurcellen vetzuren
Ketogenese Acetyl-CoA Ketonen Mitochondriën
Ketolyse Ketonen Acetyl-CoA Mitochondriën
Metabolisme in de verschillende organen
Hepatocyten Rode Spiercellen Vetcellen Zenuwcellen
bloedcellen (hart, skelet)
Glycolyse x x x x x
Omzetting pyruvaat x x x x
naar Acetyl-CoA
Citroenzuurcyclus x x x x
Glycogenese x x
Glycogenolyse x x
Gluconeogenese x
Vetzuurafbraak x x x
Vetzuursynthese x x x x
Vetsynthese x x x
Lipolyse x x x
Ketogenese x
Ketolyse x x x
2
,ZSO - Hormonale regulatie; insuline en glucagon
Glucose is een polair molecuul. Cellen worden begrensd door een plasmamembraan dat
bestaat uit vetten met een polaire kop en een apolaire staart.
● Glucose kan dit membraan niet passeren → membraaneiwitten faciliteren glucose
om het membraan te passeren, door gefaciliteerd transport.
● Afhankelijk van het celtype en het weefsel bestaat er verschillende GLUTs.
○ Verschillende affiniteit → bij welke glucoseconcentratie de GLUTs glucose
transporteren.
○ Transportconstante (Km) → glucoseconcentratie waarbij het transporteiwit op
50% van de maximale transportsnelheid glucose het plasmamembraan laat
passeren
○ De maximale transportsnelheid (Vmax) → alleen bereikt bij een oneindig
hoge glucoseconcentratie
● Verschillende GLUTs
○ GLUT1 → bloedcellen, hersenen
■ Hoge affiniteit → lage Km
○ GLUT2 → lever, nieren, pancreas
■ Lage affiniteit → hoge Km
○ GLUT3 → hersenen (neuronen)
■ Hoge affiniteit → lage Km
○ GLUT4 → vetweefsel, spiercellen, hartcellen
■ Insuline afhankelijk → hoge affiniteit
○ GLUT5 → epitheel → fructose transporter
Glucoseopname in de darm verloopt deels via indirect actief transport
● Via het SGLT1 transporteiwit aan de apicale zijde (lumen kant, mucosa) van de
enterocyt. Het SGLT1 eiwit (natrium afhankelijke glucose transporter) transporteert
tegelijkertijd een Na+ en een glucosemolecuul over het celmembraan.
○ Een natrium gradiënt (verschil in de Na+ concentratie aan weerszijden van het
membraan) faciliteert het glucosetransport over het apicale membraan.
Hierdoor kan glucose ook tegen een glucose-gradiënt in opgenomen worden
in de darmcel aan de apicale zijde van de cel.
○ Aan de basolaterale zijde van de cel wordt glucose via passief transport
afgegeven aan het bloed via GLUT2
3
, Insuline Glucagon
Glycolyse + -
Gluconeogenese - +
Glycogenolyse - +
Glycogenese + -
Vetzuur synthese + -
Vetzuur afbraak - +
ZSO - Glucagon de boosdoener, insuline het medicijn
Glucagon beïnvloedt het metabolisme van de ketonlichamen synthese
● De lever is in staat ketonlichamen te maken, deze worden gemaakt uit acetyl-CoA
● De bouwstenen voor ketonlichamen zijn afkomstig van vrije vetzuren → indirect van
vet/triglyceriden
● De ketonlichamen synthese vindt plaats in de mitochondriën
● Alle cellen in het lichaam behalve de lever en erytrocyten kunnen ketonlichamen
opnemen en gebruiken als energiebron
Verschillende soorten insuline en de werkingsduur
● Ultra-kortwerkend → 2-5 uur
● Kortwerkend → 7-8 uur
● Middellangwerkend → 12-24 uur
● Langwerkend → 24 uur
● Ultralang werkend → >42 uur
● Mix van kort- en langwerkend → 12-24
uur
Schema voor insuline
● 1 maal daags
○ Middellangwerkend NPH-insuline
○ Langwerkend insuline-analoog
● 2 maal daags
○ Humane mix insuline
○ Analoge mix insuline
● 4 maal daags
○ 3x kortwerkend en 1x
middellangwerkend NPH-insuline
○ 3x snelwerkend en 1x
middellangwerkend NPH-insuline
○ 3x kortwerkend en 1x langwerkend insuline-analoog
○ 3x snelwerkend en 1x langwerkend insuline-analoog
Het metabolisme wordt door insuline en glucagon gereguleerd, maar er zijn 2
stresshormonen die de werking kunnen overrulen → adrenaline en cortisol
4