Week 1:
MB
College centraal zenuwstelsel:
We hebben natuurlijk maar 1 zenuwstelsel. Onderscheid wordt gemaakt om complexe
processen eenvoudig(er) te begrijpen
Anatomie centrale zenuwstelsel:
Bestaat uit:
- Hersenen
- Ruggenmerg
- Cervicale en lumbale intumescenties (=verdikkingen)
De intumscenties bestaan uit lumbaal en cervicaal niveau, omdat op deze niveaus informatie
binnen komt vanuit de extremiteiten
1
,Ruggenmerg:
- Loopt door tot wervel L1/L2
- Vanaf wervel L1/L2→cauda equina
- Informatiestroom van/naar hersenen
- Belangrijk reflexcentrum
Cauda equina (paardenstaart)
Hersenstam:
3 delen:
- Medulla oblongta (=verlengde merg)
- Pons (“brug”)
- Middenhersenen (=mesencephalon-midbrain)
Formatio recticulatis: complexe structuur over gehele lengte hersenstam. Belangrijk bij
arousal en slaap-waakritme
Thalamus:
- Eivormige structuur in de tussenhersenen
- Schakelcentrum
2
,Basale ganglia:
- Groep hersenkernen (nuclei) in de tussenhersenen
- Zeer complexe neuronale circuits
- Precieze rol onduidelijk, maar in ieder geval belangrijk voor automatische en
emotionele motoriek
Cerebellum (kleine hersenen):
- Controlecentrum: bijsturen motorische programma’s
- Maakt fijne motoriek mogelijk
Cerebrale hemisferen:
Cerebrum=grote hersenen
Cerebellu=kleine hersenen
Cortex cerebri:
Cortex=schors
Cerebri= van het cerebrum (grote hersenen)
- Buitenste 6 cellagen van het brein
- Bewuste processen
3
, Phineas Gage:
Laesies in de frontale cortex
Veranderingen in:
- Emoties
- Karakter
- Geweten
- Geheugen
- Probleem oplossend vermogen
Het brein is plastisch!
Plasticiteit: het vermogen om continu te veranderen en te vervormen
Neutracle plasticiteit: elk continue verandering in de structuur of functie van neuronen die
er voor zorgt dat er beter wordt omgegaan met de omgeving
Plasticiteit is een zeer belangrijke eigenschap van het brein
→ maakt (motorisch) leren mogelijk
→ maakt na herstel schade mogelijk
Modellen CZS:
- CZS ongelooflijk complex→we weten weinig over de werking
- Modelen vereenvoudigen de werkelijkheid
- Modellen helpen verschijnselen te verklaren
Reflexmodel (stimulus respons model):
BV: knie-hamer-reflex, spierrekkingsreflex
Sensomotische cirkel:
- Actieve sensoriek (sensoriek ontstaat door motoriek)→re-affarentie
- Ex-affarentie (infor van buitenaf
- Feedback en feed-forward (feedback voorspellen en plan maken om het te
veraderen, om blok heen)
Banenmodel (=labeled lines)
Uitgangspunt: er bestaan vaste banen tussen verschillende delen van het zenuwstelsel
Verklaart:
- Elektrische stimulatie van een zenuw zorgt voor contractie van specifieke spier
- Parthesieen in de extremiteiten kunnen het gevolg zijn van simulatie in het
ruggenmerg
4