Dit houdt in dat de
• indirecte kosten worden verhoogd met een opslag voor variabele
kosten
• directe kosten worden verhoogd met een opslag voor vaste kosten
• directe kosten worden verhoogd met een opslag voor indirecte
kosten
• Welke bewering is juist?
Directe kosten zijn kosten die
• van een kostenplaats worden toegerekend naar andere
kostenplaatsen.
• rechtstreeks aan een calculatieobject kunnen worden toegewezen.
• voor wat betreft de variabele kosten rechtstreeks aan de productie
worden toegerekend en voor wat betreft de vaste kosten
rechtstreeks ten laste van de resultatenrekening worden gebracht.
• Voor de komende periode heeft een onderneming de productie geraamd
op 17.500 stuks. De vaste kosten bedragen € 1.400.000 en de
proportioneel variabele kosten worden voor deze periode begroot op
€ 700.000. De normale bezetting per periode is 20.000 stuks. De integrale
kostprijs bedraagt:
• €120
• €110
• €115
• Horecaproducent 'BART VERS' bepaalt de kostprijs van de door haar
geleverde goederen op basis van de zogenaamde eenvoudige
opslagmethode. Door de totale directe kosten te verhogen met een
opslagpercentage 20% ter dekking van de indirecte kosten.
Dit op basis van de onderstaande kosten:
• Directe materiaalkosten €2.500.000
• Directe loonkosten €1.500.000
• Totaal indirecte kosten €800.000
Nader onderzoek naar verband tussen de directe kosten en de
indirecte kosten levert de volgende informatie:
Van de totale indirecte kosten hangt 75% samen met directe
loonkosten en 25% met de directe materiaalkosten.
De directie besluit over te stappen van de eenvoudige op de verfijnde
opslagmethode.
Voor de productie van een 50 kg verpakt Argentijns rundvlees zijn
nodig:
, - € 300,- materiaal
- € 120,- loonkosten
Op basis van de verfijnde opslagmethode wordt de kostprijs van een 50
kg verpakt Argentijns rundvlees:
• €550
• €492
• €504
• Gegeven is de volgende kostenverdeelstaat (aantallen × € 1.000):
De beheerskosten worden volgens de loonkostenverhouding over de
andere afdelingen verdeeld. De kosten van de afdeling Onderhoud
worden verdeeld over de productieafdelingen naar rato van de
eerstbelaste machinekosten van de afdelingen.
De normale productie is 15.000 stuks A en 15.000 stuks B.
De kostprijs van product A is:
• €96,40
• €94,20
• €97,00
• Een fabrikant van theedoeken verwacht komend jaar een productie te
realiseren van 800.000 theedoeken en een afzet van 850.000 theedoeken.
De constante fabricagekosten bedragen € 450.000 per jaar. De normale
bezetting ligt op 750.000 theedoeken per jaar. De variabele
fabricagekosten die hij voor volgend jaar verwacht, bedragen € 850.000.
De fabrikant verwacht een verkoopprijs te realiseren van € 2 per
theedoek. De fabrikant gebruikt de integrale kostprijs bij de berekening
van de winst.
Bereken het voor volgend jaar verwachte bedrijfsresultaat.
• € 316.875
• € 286.875
• € 400.000
• In welk opzicht zijn constante kosten onveranderlijk?
• Zij reageren niet op een verandering van de productie.
• Zij reageren niet op een verandering van de capaciteit.
• Zij reageren niet op een verandering van de prijzen der
productiefactoren.