PLURIFORME SAMENLEVING
verschil en verdraagzaamheid
Nederland; vrijheidsdrang, verlangen naar ordening, pluriform: mensen van verschillende sociale
klassen/godsdiensten/levensstijlen
morele geografie: manier waarop mensen met elkaar omgaan beïnvloedt doordat mensen dicht op
elkaar op klein grondgebied leven
tolerantie (toen): toelaten van iets dat eigenlijk verboden is
- pragmatische keuze; kwetsbaarheid maatschappelijke vrede, handel
- principiële kant; vrijheid van denken en geweten
omschrijving NL’se cultuur: poldermodel/pacificatiedemocratie (compromiscultuur)
-> land van minderheden dus compromissen en overleg/samenwerking nodig
conformisme: verlangen om zich aan te passen aan de opvattingen en gedragingen van de
meerderheid in de samenleving
toegenomen globalisering, opkomst economische concurrentie, polarisatie politiek -> scherper
worden politieke/sociale conflict + sociale cohesie: vertrouwen van burgers in elkaar + de overheid
cultuur en identiteit
cultuur: alle waarden, normen en aangeleerde kenmerken die leden van een groep/samenleving met
elkaar gemeen hebben + als vanzelfsprekend beschouwen
- heeft vaste gewoonten+tradities, maar ondervind ook verandering
- bepaalt deel persoonlijkheid, vormt gemeenschappelijk referentiekader, werkt gedragsregulerend
dominante cultuur: geheel van waarden/normen/kenmerken dat door de meeste mensen binnen
een samenleving geaccepteerd wordt
subcultuur: eigen normen/waarden/kenmerken door specifieke groep ontwikkeld
tegenculturen: verzetten zich tegen (delen van) dominante cultuur/vormen er een bedreiging voor
socialisatie: proces waarbij iemand bewust en onbewust waarden/normen/cultuurkenmerken van
groep aangeleerd krijgt
- doel: aanpassing individu aan omgeving, in stand houden cultuur
socialiserende instituties: gemeenschappen zelf, overheid, media
sociale controle: manier mensen anderen stimuleren/dwingen zich aan geldende normen te houden
- formeel: geschreven regels (wetten, contract)
- sociaal: beleefdheidsvormen, ongeschreven regels
groepsidentificatie: verwant voelen met dominante/sub cultuur
dimensies waarin culturen verschillen:
- machtsafstand
- individualisme vs collectivisme
- masculiniteit vs feminiteit
- onzekerheidsvermijding
- oriëntatie op lange vs korte termijn
etnocentrisme: groepen zien zichzelf als middelpunt en meten anderen daaraan af
-> vooroordelen: vooropgezette meningen over andere groepen/culturen
xenofobie: vijandigheid/haat nr mensen die niet tot eigen etnische groep behoren
verschil en verdraagzaamheid
Nederland; vrijheidsdrang, verlangen naar ordening, pluriform: mensen van verschillende sociale
klassen/godsdiensten/levensstijlen
morele geografie: manier waarop mensen met elkaar omgaan beïnvloedt doordat mensen dicht op
elkaar op klein grondgebied leven
tolerantie (toen): toelaten van iets dat eigenlijk verboden is
- pragmatische keuze; kwetsbaarheid maatschappelijke vrede, handel
- principiële kant; vrijheid van denken en geweten
omschrijving NL’se cultuur: poldermodel/pacificatiedemocratie (compromiscultuur)
-> land van minderheden dus compromissen en overleg/samenwerking nodig
conformisme: verlangen om zich aan te passen aan de opvattingen en gedragingen van de
meerderheid in de samenleving
toegenomen globalisering, opkomst economische concurrentie, polarisatie politiek -> scherper
worden politieke/sociale conflict + sociale cohesie: vertrouwen van burgers in elkaar + de overheid
cultuur en identiteit
cultuur: alle waarden, normen en aangeleerde kenmerken die leden van een groep/samenleving met
elkaar gemeen hebben + als vanzelfsprekend beschouwen
- heeft vaste gewoonten+tradities, maar ondervind ook verandering
- bepaalt deel persoonlijkheid, vormt gemeenschappelijk referentiekader, werkt gedragsregulerend
dominante cultuur: geheel van waarden/normen/kenmerken dat door de meeste mensen binnen
een samenleving geaccepteerd wordt
subcultuur: eigen normen/waarden/kenmerken door specifieke groep ontwikkeld
tegenculturen: verzetten zich tegen (delen van) dominante cultuur/vormen er een bedreiging voor
socialisatie: proces waarbij iemand bewust en onbewust waarden/normen/cultuurkenmerken van
groep aangeleerd krijgt
- doel: aanpassing individu aan omgeving, in stand houden cultuur
socialiserende instituties: gemeenschappen zelf, overheid, media
sociale controle: manier mensen anderen stimuleren/dwingen zich aan geldende normen te houden
- formeel: geschreven regels (wetten, contract)
- sociaal: beleefdheidsvormen, ongeschreven regels
groepsidentificatie: verwant voelen met dominante/sub cultuur
dimensies waarin culturen verschillen:
- machtsafstand
- individualisme vs collectivisme
- masculiniteit vs feminiteit
- onzekerheidsvermijding
- oriëntatie op lange vs korte termijn
etnocentrisme: groepen zien zichzelf als middelpunt en meten anderen daaraan af
-> vooroordelen: vooropgezette meningen over andere groepen/culturen
xenofobie: vijandigheid/haat nr mensen die niet tot eigen etnische groep behoren