Materieel/economisch
rechts = kleine rol overheid en marktwerking eigen verantwoordelijkheid
links = grote rol overheid, planmatige, structureel gelijkwaardigheid
Sociaal-cultureel
conservatief = oude waarden en tradities, behoudend
progressief = tradities veranderen, vooruitstrevend
liberalisme → D66 en VVD
1. eigen verantwoordelijkheid
2. rationalistisch liberalisme
3. individuele vrijheid
4. vrijemarkteconomie
5. kleine rol overheid
participatiemaatschappij = overheid zorgt voor sociaal vangnet
6. particulier initiatief
sociaaldemocratie → Bij1, GroenLinks, SP, PvdA
1. solidariteit
2. democratisering
3. nadruk op economische tegenstellingen
4. tegen maatschappelijke ongelijkheid
5. gelijkwaardigheid
6. actieve rol overheid
confessionalisme → CDA, SGP, CU
1. naastenliefde en solidariteit
2. maatschappelijk middenveld
3. gespreide verantwoordelijkheid
4. rentmeesterschap
5. harmonie en samenwerking
6. organische samenleving
populisten (=politieke cultuur) → FvD, JA21, PVV
1. nadruk op sterk en charismatisch leiderschap
2. verwijzen naar de wil van het volk
3. vaderlandsliefde
4. afkeer van het establishment (=gevestigde orde)
One-issue partijen: 50+, PvdD, BBB, Volt, DENK (??)
soevereiniteit = bevoegdheid
, democratie
1. politieke gelijkwaardigheid → alle burgers gelijke rechten
2. politieke vrijheid → leven zelf inrichten
Parlement = Eerste Kamer + Tweede Kamer = Staten-Generaal =
volksvertegenwoordiging
parlement = wetgevende macht
Eerste Kamer → door provinciale staten = indirect gekozen
↳ controle wetten
directe democratie = burger → beslissing
indirecte democratie = burger → politieke partij → beslissing
% stemmen = % zetels = evenredige vertegenwoordiging
regering = koning + ministers
kabinet = ministers + staatssecretarissen
regering = maken plannen en voeren ze uit op de ministeries en zijn
eindverantwoordelijk voor alle aangenomen wetten (en ook uitleg geven in de
Tweede Kamer over het beleid)
oppositie = controleren kabinet/regering en beslissen over wetten
coalitie = levert ministers en staatssecretarissen
oppositie = levert geen ministers en staatssecretarissen
Kabinetsformatie
1. verkiezingen
2. gesprekken fractievoorzitters
aanstellen verkenner → wie met wie? → fractievoorzitters geven advies
3. aanstellen informateur(s), kunnen partijen compromissen sluiten
4. informateur met verslag naar kamer
regeerakkoord gepresenteerd
5. aanstellen formateur, welke partij mag voor welk ministerie ministers en
staatssecretarissen leveren
6. koning ontslaat oude kabinet en beëdigd nieuwe kabinet
dualisme = parlement controleert kabinet goed en is kritisch
monisme = parlement voert controle taak niet goed uit en is niet kritisch
Rechten van het parlement
stemrecht
budgetrecht → wijzigingen in rijksbegroting
vragenrecht → minister ter verantwoording (buiten agenda om = spoeddebat
of recht van interpellatie)
motierecht → tegen beleid minister = motie van wantrouwen, als de Tweede
Kamer goedkeurt = kabinetscrisis
recht van enquête → onderzoek regeringsbeleid/parlementaire enquête
recht van amendement → wijzigingen in wet (alleen Tweede Kamer!)
recht van initiatief → zelf met wetsvoorstel komen (alleen Tweede Kamer!)