1.2. Beschrijving van het begrip pedagogiek
Pedagogiek betekent kinderleiding, maar wordt vaker omschreven als opvoedkunde (gericht op de
vaardigheden van de opvoeder), opvoedingsleer (gericht op het vergaren van kennis over opvoeden)
en opvoedingswetenschap (gericht op de ontwikkeling van theorieën en methoden m.b.t. opvoeden).
De pedagogiek maakt gebruik van hulpwetenschappen, zoals psychologie, sociologie, filosofie,
theologie en andragogie (dit is de opvoeding en vorming van volwassenen).
Opvoeding wordt omschreven als ‘alle omgang tussen het kind en volwassenen’. Hier moeten liefde,
geborgenheid, veiligheid, intimiteit, aandacht, grenzen, instructie, ondersteuning en controle
aanwezig zijn, welke zorgen voor zelfstandigheid, zelfredzaamheid en zelfvertrouwen bij het kind.
1.3. De vier basisdimensies van opvoeden
De vier dimensies zijn nauw met elkaar verbonden. Iedere actie die een opvoeder onderneemt om
het kind te helpen zijn gedrag te veranderen, heeft zijn weerslag op de andere dimensies.
1. Ondersteuning bieden
Ondersteuning: het opvoedgedrag dat liefde en zorg uitdrukt en zich richt op het fysieke en
emotionele welzijn. Deze ondersteuning bevordert de ontwikkeling van het kind. Warmte en
affectie, ook wel de emotionele beschikbaarheid van de ouder, zijn hierbij onmisbaar.
Sensitiviteit (het opmerken van signalen van het kind) en responsiviteit (het reageren op de signalen
door de opvoeder) leren het kind dat hij invloed kan uitoefenen op de buitenwereld.
Door acties te belonen, zowel emotioneel als materieel, stimuleert de opvoeder gewenst gedrag.
Straffen zorgt ervoor dat een kind reflecteert op zijn gedrag en het ongewenste gedrag wordt
afgeleerd, mits dit uit het doel ondersteuning bieden blijft voorkomen. Hierbij moet de opvoeder
altijd consequent blijven over de opgelegde straf. Ook kan ongewenst gedrag worden genegeerd.
Gedragsregulatie is het afstemmen van dezelfde consequente aanpak bij verschillende opvoeders,
bijvoorbeeld door de ouder en de leerkracht samen.
2. Instructie geven
Instructie: de informatie die het kind krijgt voor de ontwikkeling van kennis en vaardigheden, zodat
het kind strategieën ontwikkelt om zijn eigen problemen op te lossen en verantwoordelijkheid te
dragen voor zijn beslissingen. Dit bevordert de zelfstandigheid en zelfredzaamheid. Door een
overlading aan instructie zal het kind geen eigen initiatieven durven nemen en te veel bezig zijn met
de reactie van de ouder over zijn acties, waardoor het kind niet zelf durft te handelen.
3. Controle uitoefenen
Controle uitoefenen kan worden aangeduid als machtsuitoefening, restrictiviteit en autoritaire
controle, indien strikte regels de bewegingsvrijheid van het kind ontnemen, in combinatie met
straffen en verbieden. Dit heeft een negatieve invloed op de sociale en cognitieve competentie van
het kind. Echter kan controle ook op een positieve manier worden ingezet, bijvoorbeeld door het
kind uit te leggen waarom iets wel of niet mag en moet en door informatie en aanwijzingen te geven.
Deze vorm van positief controle uitoefenen wordt autoritatieve controle genoemd.
4. Grenzen stellen
Grenzen stellen: de wijze waarop straffen en belonen wordt ingezet om gewenst gedrag aan te
leren. Behaviorisme = alle gedrag is aangeleerd, dus alle gedrag kan worden afgeleerd.
Gedragsverandering vindt plaats door middel van beïnvloeding. Hierbij is consequentie het
belangrijkste, maar moeilijkste aspect van de opvoeding.