Hoorcollege 1
Je kunt:
de kenmerken van gezondheid en ziekte herkennen en van elkaar
onderscheiden
Gezondheid/ ziekte
- Homeostase, evenwicht van processen is uit balans bij bijv. een te hoge
temperatuur.
2 soorten symptomen:
- Objectief is zichtbaar, door buitenstaanders vast te stellen
- Subjectief is hoe mensen iets beleven, pijn, jeuk, misselijkheid.
In geval van ziekte is meestal sprake van een aantal verschijnselen die bij deze
ziekte altijd gecombineerd aanwezig zijn waardoor de ziekte kan worden herkend
en benoemd.
de algemene medische termen rond het begrip ziekte hanteren en
toepassen, met name op de etiologie en het verloop van een ziekte
Ziektebeloop:
- Acuut = plotseling.
- Chronisch = altijd een beetje sudderend aanwezig, met soms opflikkeringen (exacerbaties)
- Remissie = verbetering, maar geen genezing.
- Recidief = teruggekeerd.
- Complicatie = verergerde omstandigheid binnen een ziekte, bijvoorbeeld: nabloeding,
wondinfectie.
- Genezing (curatie)
- Reconvalescentie = herstelfase.
- Prodromen = voorspellende symptomen, voorverschijnselen.
- Prognose = toekomstverwachting.
Etiologie: waar komt een ziekte vandaan, oorzaak.
- Causaal: wat de oorzaak betreft. Iemand krijgt klap op hoofd en raakt buiten bewustzijn.
- Conditie: grote draagkracht/conditie wordt iemand niet snel ziek
- Hangt af van voeding, beweging, soort persoon, zijn constitutie (alle erfelijke eigenschappen)
- Endogene factoren = van binnen afkomend (erfelijke constitutie)
- Exogene factoren = van buiten afkomend
- Pathogenese = het ontstaan van ziekten
- Pathosfysiologie = ontsporen van normaal fysiologisch proces.
Fysiologisch is dus normaal, pathosfysiologisch is abnormaal.
- Congenitaal = aangeboren, bijv. klompvoetje, openruggetje. Niet erfelijk bepaald, wel bij de
geboorte aanwezig.
, - Erfelijk = kan al congenitaal zichtbaar zijn bijv. syndroom van down.
- Psychosomatisch = interactie tussen de psyche en het lichaam, bijv. maagzweer van de
stress.
de kenmerken van de verschillende soorten onderzoek en van het proces
van diagnostiek herkennen, daar in voorkomende gevallen voorlichting
over geven en patiënten daarbij begeleiden
Anamnese
Wanneer de patiënt zelf deelneemt aan gesprek: auto-anamnese. Wanneer
familie, buren of omstanders deelnemen aan gesprek: hetero-anamnese.
Arts vraagt naar de klachten die voor de patiënt aanleiding waren de arts te
bezoeken = speciële anamnese. Daarna volgt de algemene anamnese. Vragen
over doorgemaakte ziekten, allergieën etc. = vroegere anamnese/medische
voorgeschiedenis.
Lichamelijk onderzoek
Observatie/inspectie = kijken, ruiken, horen
Palpatie = voelen
Percussie = kloppen
Auscultatie = luisteren (stethoscoop)
Aanvullend onderzoek
Laboratoriumonderzoek
- hematologisch onderzoek
- klinisch-chemische bepalingen
- bloedgasanalyse
Radiologisch onderzoek
- Röntgenfoto’s
- CT-scan
- Angiografie (bloed en lymfevaten worden zichtbaar gemaakt)
- Scintigrafie
- Echoscopie (echo)
- Doppler onderzoek (geluidsfrequentie)
- Nucleair magnetic resonance (NMR)
- Endoscopie (allemaal soorten, zie blz. 52/53)
- Functieonderzoek
- Elektrografisch onderzoek (ECG)
, Hoorcollege 2
Je kunt:
de kenmerken van de diverse micro-organismen herkennen en
interpreteren, met name van:
- bacteriën, inclusief diagnostiek
- virussen, inclusief diagnostiek
- schimmel en gisten
- Protozoën
Bacteriën:
Stafylokokken: trosjes
Streptokokken: draadjes
Pneumokok: veroorzaakt pneumonie
Bacillen : staven
Bacteriën groeien van vocht, warmte en voedsel
Resistentiebepaling:
Elk rondje doordrenkt met een ander antibioticum. Hoe groter de opheldering des
te gevoeliger de bacterie voor dat antibioticum. Waar geen opheldering ontstaat,
is de bacterie geheel ongevoelig = resistent voor dat antibioticum.
- Plasmidenoverdracht.
Bacteriën vormen: kokken, bacillen etc.
Virulentie = aanvalskracht van een bacterie
Serologie betekent dat het uit het serum wordt onderzocht, dit is de vloeistof die
je overhoudt als bloed is gestold. Dit bevat antistoffen.
Diagnostiek: gram, kweek en resistentiebepaling en PCR zijn belangrijkst.
Virussen:
Bouw: RNA of DNA + capside eiwitmantel
Diagnostiek: wordt meestal gesteld op grond van klinische verschijnselen en
epidemiologie
PCR/Serologie
Schimmels en gisten:
Schimmelziekte wordt mycose genoemd
Meest oppervlakkig op huid en slijmvliezen
Diagnostiek: klinisch beeld, microscopie, kweek
Je kunt:
de kenmerken van gezondheid en ziekte herkennen en van elkaar
onderscheiden
Gezondheid/ ziekte
- Homeostase, evenwicht van processen is uit balans bij bijv. een te hoge
temperatuur.
2 soorten symptomen:
- Objectief is zichtbaar, door buitenstaanders vast te stellen
- Subjectief is hoe mensen iets beleven, pijn, jeuk, misselijkheid.
In geval van ziekte is meestal sprake van een aantal verschijnselen die bij deze
ziekte altijd gecombineerd aanwezig zijn waardoor de ziekte kan worden herkend
en benoemd.
de algemene medische termen rond het begrip ziekte hanteren en
toepassen, met name op de etiologie en het verloop van een ziekte
Ziektebeloop:
- Acuut = plotseling.
- Chronisch = altijd een beetje sudderend aanwezig, met soms opflikkeringen (exacerbaties)
- Remissie = verbetering, maar geen genezing.
- Recidief = teruggekeerd.
- Complicatie = verergerde omstandigheid binnen een ziekte, bijvoorbeeld: nabloeding,
wondinfectie.
- Genezing (curatie)
- Reconvalescentie = herstelfase.
- Prodromen = voorspellende symptomen, voorverschijnselen.
- Prognose = toekomstverwachting.
Etiologie: waar komt een ziekte vandaan, oorzaak.
- Causaal: wat de oorzaak betreft. Iemand krijgt klap op hoofd en raakt buiten bewustzijn.
- Conditie: grote draagkracht/conditie wordt iemand niet snel ziek
- Hangt af van voeding, beweging, soort persoon, zijn constitutie (alle erfelijke eigenschappen)
- Endogene factoren = van binnen afkomend (erfelijke constitutie)
- Exogene factoren = van buiten afkomend
- Pathogenese = het ontstaan van ziekten
- Pathosfysiologie = ontsporen van normaal fysiologisch proces.
Fysiologisch is dus normaal, pathosfysiologisch is abnormaal.
- Congenitaal = aangeboren, bijv. klompvoetje, openruggetje. Niet erfelijk bepaald, wel bij de
geboorte aanwezig.
, - Erfelijk = kan al congenitaal zichtbaar zijn bijv. syndroom van down.
- Psychosomatisch = interactie tussen de psyche en het lichaam, bijv. maagzweer van de
stress.
de kenmerken van de verschillende soorten onderzoek en van het proces
van diagnostiek herkennen, daar in voorkomende gevallen voorlichting
over geven en patiënten daarbij begeleiden
Anamnese
Wanneer de patiënt zelf deelneemt aan gesprek: auto-anamnese. Wanneer
familie, buren of omstanders deelnemen aan gesprek: hetero-anamnese.
Arts vraagt naar de klachten die voor de patiënt aanleiding waren de arts te
bezoeken = speciële anamnese. Daarna volgt de algemene anamnese. Vragen
over doorgemaakte ziekten, allergieën etc. = vroegere anamnese/medische
voorgeschiedenis.
Lichamelijk onderzoek
Observatie/inspectie = kijken, ruiken, horen
Palpatie = voelen
Percussie = kloppen
Auscultatie = luisteren (stethoscoop)
Aanvullend onderzoek
Laboratoriumonderzoek
- hematologisch onderzoek
- klinisch-chemische bepalingen
- bloedgasanalyse
Radiologisch onderzoek
- Röntgenfoto’s
- CT-scan
- Angiografie (bloed en lymfevaten worden zichtbaar gemaakt)
- Scintigrafie
- Echoscopie (echo)
- Doppler onderzoek (geluidsfrequentie)
- Nucleair magnetic resonance (NMR)
- Endoscopie (allemaal soorten, zie blz. 52/53)
- Functieonderzoek
- Elektrografisch onderzoek (ECG)
, Hoorcollege 2
Je kunt:
de kenmerken van de diverse micro-organismen herkennen en
interpreteren, met name van:
- bacteriën, inclusief diagnostiek
- virussen, inclusief diagnostiek
- schimmel en gisten
- Protozoën
Bacteriën:
Stafylokokken: trosjes
Streptokokken: draadjes
Pneumokok: veroorzaakt pneumonie
Bacillen : staven
Bacteriën groeien van vocht, warmte en voedsel
Resistentiebepaling:
Elk rondje doordrenkt met een ander antibioticum. Hoe groter de opheldering des
te gevoeliger de bacterie voor dat antibioticum. Waar geen opheldering ontstaat,
is de bacterie geheel ongevoelig = resistent voor dat antibioticum.
- Plasmidenoverdracht.
Bacteriën vormen: kokken, bacillen etc.
Virulentie = aanvalskracht van een bacterie
Serologie betekent dat het uit het serum wordt onderzocht, dit is de vloeistof die
je overhoudt als bloed is gestold. Dit bevat antistoffen.
Diagnostiek: gram, kweek en resistentiebepaling en PCR zijn belangrijkst.
Virussen:
Bouw: RNA of DNA + capside eiwitmantel
Diagnostiek: wordt meestal gesteld op grond van klinische verschijnselen en
epidemiologie
PCR/Serologie
Schimmels en gisten:
Schimmelziekte wordt mycose genoemd
Meest oppervlakkig op huid en slijmvliezen
Diagnostiek: klinisch beeld, microscopie, kweek