Practicums opdrachten:
Voorbereiding practicum 5 & 6
Opdracht 1:
a. Virus: Virussen zijn super klein en er is een enorme variatie in grootte van virussen.
Groottediversiteit. Virussen komen voor in allerlei organismen. Kunnen zich alleen
maar zich laten vermenigvuldigen en heeft dus en levende gastheercel nodig en is
zelf niet levend. Zijn kleine infectieuze agentia met acellulaire organisatie.
Reproduceren alleen in levende cellen. Heeft één type nucleïnezuur - ofwel RNA of
DNA-beschermd door een eiwitmantel. Een virus geeft niet altijd
ziekteverschijnselen.
Structuur Aanwezig: Omschrijving/ functie
DNA Soms Opslag genetische informatie
RNA Soms Opslag genetische informatie
DNA + RNA Nooit Nooit samen
Ribosoom Nooit Translatie mRNA
Mitochondrion Nooit Energie maken
Kernmembraan Nooit Scheiden cytosol+kern
Capside Altijd Bescherming genetische informatie, aanhechting,
penetratie.
Mantel/Envelop Soms Herkenning + bescherming genetische informatie,
membraanfusie.
Bij retrovirussen heb je een nucleocapside dan een capside en dan pas de envelop en nemen
soms eiwitten van de gastheer mee.
Eiwitten in de mantel heten ook wel glycoproteïnen en worden getriggerd om
membraanfusie mogelijk te maken.
Structurele eiwitten zijn alle eiwitten die in het virusdeeltje zitten
Niet-structurele eiwitten alles wat in de cel achterblijft maar wel door het virus worden
geproduceerd. Zijn belangrijk voor de replicatie. Coderen voor eiwitten die het
immuunsysteem remmen. Helpt ook met het in leven houden van de cel.
Opdracht 2:
a. Primaire celcultuur = een stukje weefsel direct vanuit de gastheer (zonder
modificatie), bevat veel verschillende celtypen en kun je niet oneindig blijven
kweken. Je kan deze cultuur kweken in een celcultuurmedium. D.m.v. proteases kan
je de celcultuur knippen.
Cellijnen kunnen daarentegen continu groeien en kun je zelfs in de vriezer stoppen.
Als het virus aanslaat zie je verschrompelen en je ziet blaasjes en gaan uiteindelijk
dood. 1 geïnfecteerde cel kan fuseren met naburige cellen, waardoor je cellen krijgt
met meerdere cellen waardoor meerkernige cellen ontstaan: syncytium formatie.
CPE (cytopathologisch effect) – effect wat virussen kunnen hebben op cellen.
b. Canine parvovirus: ssDNA, naakt, 18-26nm een van de kleinste virussen, icosaheder
Canine coronavirus: ssRNA, positief, helicaal, envelop, 80-120nm
c. Naakte virussen kunnen alleen de cel uit als de cel kapot gaat
CPV = alle naakte virussen laten zich eerst endocyteren na aanhechting. Porievorming in
het membraan (o.i.v. virale eiwitten) en van daaruit komen ze in het cytosol. Membraan
gaat hierbij kapot. Virusdeeltjes komen vrij door apoptose of necrose van de cel.
1
Voorbereiding practicum 5 & 6
Opdracht 1:
a. Virus: Virussen zijn super klein en er is een enorme variatie in grootte van virussen.
Groottediversiteit. Virussen komen voor in allerlei organismen. Kunnen zich alleen
maar zich laten vermenigvuldigen en heeft dus en levende gastheercel nodig en is
zelf niet levend. Zijn kleine infectieuze agentia met acellulaire organisatie.
Reproduceren alleen in levende cellen. Heeft één type nucleïnezuur - ofwel RNA of
DNA-beschermd door een eiwitmantel. Een virus geeft niet altijd
ziekteverschijnselen.
Structuur Aanwezig: Omschrijving/ functie
DNA Soms Opslag genetische informatie
RNA Soms Opslag genetische informatie
DNA + RNA Nooit Nooit samen
Ribosoom Nooit Translatie mRNA
Mitochondrion Nooit Energie maken
Kernmembraan Nooit Scheiden cytosol+kern
Capside Altijd Bescherming genetische informatie, aanhechting,
penetratie.
Mantel/Envelop Soms Herkenning + bescherming genetische informatie,
membraanfusie.
Bij retrovirussen heb je een nucleocapside dan een capside en dan pas de envelop en nemen
soms eiwitten van de gastheer mee.
Eiwitten in de mantel heten ook wel glycoproteïnen en worden getriggerd om
membraanfusie mogelijk te maken.
Structurele eiwitten zijn alle eiwitten die in het virusdeeltje zitten
Niet-structurele eiwitten alles wat in de cel achterblijft maar wel door het virus worden
geproduceerd. Zijn belangrijk voor de replicatie. Coderen voor eiwitten die het
immuunsysteem remmen. Helpt ook met het in leven houden van de cel.
Opdracht 2:
a. Primaire celcultuur = een stukje weefsel direct vanuit de gastheer (zonder
modificatie), bevat veel verschillende celtypen en kun je niet oneindig blijven
kweken. Je kan deze cultuur kweken in een celcultuurmedium. D.m.v. proteases kan
je de celcultuur knippen.
Cellijnen kunnen daarentegen continu groeien en kun je zelfs in de vriezer stoppen.
Als het virus aanslaat zie je verschrompelen en je ziet blaasjes en gaan uiteindelijk
dood. 1 geïnfecteerde cel kan fuseren met naburige cellen, waardoor je cellen krijgt
met meerdere cellen waardoor meerkernige cellen ontstaan: syncytium formatie.
CPE (cytopathologisch effect) – effect wat virussen kunnen hebben op cellen.
b. Canine parvovirus: ssDNA, naakt, 18-26nm een van de kleinste virussen, icosaheder
Canine coronavirus: ssRNA, positief, helicaal, envelop, 80-120nm
c. Naakte virussen kunnen alleen de cel uit als de cel kapot gaat
CPV = alle naakte virussen laten zich eerst endocyteren na aanhechting. Porievorming in
het membraan (o.i.v. virale eiwitten) en van daaruit komen ze in het cytosol. Membraan
gaat hierbij kapot. Virusdeeltjes komen vrij door apoptose of necrose van de cel.
1