HC3 Genetica
Celcyclus
Celdeling
- Celdeling resulteert in 2 identieke dochtercellen.
- Het is de methode om genetische informatie over te dragen.
- Functie voor eencellige organismen:
- Reproductie.
- Functie voor meercellige organismen:
- Groei en ontwikkeling (begint bij bevruchte eicel).
- Reparatie (bijvoorbeeld bij dichtgroeien van een wond).
- Vernieuwing (bijvoorbeeld de aanmaak van bloedcellen in het beenmerg).
Genoom
- Het genoom is alle genetische informatie in het DNA van een cel.
- Het is het genoom dat is z’n geheel gekopieerd moet worden.
Somatische cellen
- Somatische cellen zijn alle ‘gewone’ lichaamscellen.
- Alleen de voortplantingscellen, eicellen (ova) en zaadcellen (spermatozoa) vallen niet
onder de somatische cellen.
- Het genetisch materiaal van somatische cellen bestaat uit 23 paar chromosomen=
diploïd.
- Somatische cellen delen met mitose.
Gameten
- Gameten zijn de voortplantingscellen.
- Gameten bevatten 23 chromosomen= haploïd.
- Gameten komen voort uit meiose.
Dus, celdeling verzorgt:
- Gameten (haploïd, 1n, n=23).
- Somatische cellen (diploïd, 2n, n=23).
- Groei, ontwikkeling, reparatie, vernieuwing:mitose, leidt tot somatische cellen.
- Op een plaats meiose: in voortplantingsorganen (ovaria en testes).
- Ontstaan van de gameten: eicellen en spermacellen.
, Mitose
- Na G2 volgt de deling, de M-fase, oftewel mitose.
- Hier condenseren de chromosomen in hun herkenbare vorm.
- De mitose zelf is ook weer onder te verdelen in fasen.
Genetica
- De informatie die aan de volgende generatie wordt overgedragen zit in de vorm van
genen.
- Gen is een unit van DNA dat codeert voor een eiwit.
- Locatie van een gen op het chromosoom is de locus.
Chromosomen
- Somatische cellen bevatten 23 paar chromosomen:
- 22 paar autosomen.
- 1 paar geslachtshormonen (bepalen het geslacht van het organisme).
Chromatine
- DNA is om spoeltjes gedraaid: eiwitten (histonen en non-histonen).
- DNA en deze eiwitten vormen een dikkere draad: chromatine.
- Het is deze chromatine dat varieert in mate van condensatie.
Homologe chromosomen
- Homologe chromosomen hebben dezelfde bouw en bevatten gelijke, maar niet
identieke erfelijke informatie.
- Homologe chromosomen bevatten allelen:
- twee exemplaren van hetzelfde gen die sequentie-varianten van elkaar zijn.
- die allelen zorgen voor verschillende fenotypes.
- Een gehele populatie bevat meestal meer dan 2 allelen.
Mitose & Meiose
- Meiose vermindert het aantal chromosomenparen van diploïd tot haploïd.
- Mitose:
- Behoud van chromosoom-aantal in dochtercellen.
- Meiose of reductiedeling
- Halvering aantal chromosomen.
- Somatische cellen
- Resultaat van mitose.
- Gameten
- Resultaat van meiose.
- Bevruchting
- Samensmelten van gameten → zygote.
Celcyclus
Celdeling
- Celdeling resulteert in 2 identieke dochtercellen.
- Het is de methode om genetische informatie over te dragen.
- Functie voor eencellige organismen:
- Reproductie.
- Functie voor meercellige organismen:
- Groei en ontwikkeling (begint bij bevruchte eicel).
- Reparatie (bijvoorbeeld bij dichtgroeien van een wond).
- Vernieuwing (bijvoorbeeld de aanmaak van bloedcellen in het beenmerg).
Genoom
- Het genoom is alle genetische informatie in het DNA van een cel.
- Het is het genoom dat is z’n geheel gekopieerd moet worden.
Somatische cellen
- Somatische cellen zijn alle ‘gewone’ lichaamscellen.
- Alleen de voortplantingscellen, eicellen (ova) en zaadcellen (spermatozoa) vallen niet
onder de somatische cellen.
- Het genetisch materiaal van somatische cellen bestaat uit 23 paar chromosomen=
diploïd.
- Somatische cellen delen met mitose.
Gameten
- Gameten zijn de voortplantingscellen.
- Gameten bevatten 23 chromosomen= haploïd.
- Gameten komen voort uit meiose.
Dus, celdeling verzorgt:
- Gameten (haploïd, 1n, n=23).
- Somatische cellen (diploïd, 2n, n=23).
- Groei, ontwikkeling, reparatie, vernieuwing:mitose, leidt tot somatische cellen.
- Op een plaats meiose: in voortplantingsorganen (ovaria en testes).
- Ontstaan van de gameten: eicellen en spermacellen.
, Mitose
- Na G2 volgt de deling, de M-fase, oftewel mitose.
- Hier condenseren de chromosomen in hun herkenbare vorm.
- De mitose zelf is ook weer onder te verdelen in fasen.
Genetica
- De informatie die aan de volgende generatie wordt overgedragen zit in de vorm van
genen.
- Gen is een unit van DNA dat codeert voor een eiwit.
- Locatie van een gen op het chromosoom is de locus.
Chromosomen
- Somatische cellen bevatten 23 paar chromosomen:
- 22 paar autosomen.
- 1 paar geslachtshormonen (bepalen het geslacht van het organisme).
Chromatine
- DNA is om spoeltjes gedraaid: eiwitten (histonen en non-histonen).
- DNA en deze eiwitten vormen een dikkere draad: chromatine.
- Het is deze chromatine dat varieert in mate van condensatie.
Homologe chromosomen
- Homologe chromosomen hebben dezelfde bouw en bevatten gelijke, maar niet
identieke erfelijke informatie.
- Homologe chromosomen bevatten allelen:
- twee exemplaren van hetzelfde gen die sequentie-varianten van elkaar zijn.
- die allelen zorgen voor verschillende fenotypes.
- Een gehele populatie bevat meestal meer dan 2 allelen.
Mitose & Meiose
- Meiose vermindert het aantal chromosomenparen van diploïd tot haploïd.
- Mitose:
- Behoud van chromosoom-aantal in dochtercellen.
- Meiose of reductiedeling
- Halvering aantal chromosomen.
- Somatische cellen
- Resultaat van mitose.
- Gameten
- Resultaat van meiose.
- Bevruchting
- Samensmelten van gameten → zygote.