3.2 De interactie tussen erfelijkheid en omgeving
Het gedrag van iemand kan worden verklaard door middel van genetische factoren en
omgevingsfactoren.
Bij veel eigenschappen is er sprake van multifactoriële overerving, wat betekent dat deze
eigenschappen bepaald worden door een combinatie van genetische factoren en
omgevingsfactoren.
Bij multifactoriële overerving zorgt een genotype voor een bepaald bereik waarbinnen een
fenotype zich kan manifesteren. (sommige mensen kunnen nooit slank worden)
In veel gevallen is het de omgeving die bepaalt op welke manier een bepaald genotype zich
als een fenotype manifesteert.
Uiteindelijk is het natuurlijk de unieke interactie tussen erfelijke factoren en
omgevingsfactoren.
Om erachter te komen wat voor invloed de omgeving heeft of wat voor invloed de genen
hebben, gebruiken onderzoekers dieren met dezelfde genen en zetten ze in een andere
omgeving of zetten dieren bij elkaar in dezelfde omgeving maar met andere genen.
Met mensen is dit onderzoek moeilijker, maar mogelijk, namelijk met tweelingen.
Eeneiige tweelingen groeien genetisch uiteen naarmate ze ouder worden.
Omgevingsfactoren spelen daarbij een grote rol. Het is niet de genetische code zelf die
verandert, maar de epi genetica, de manier waarop de genen aan- of uitgezet worden door
chemische veranderingen in het genoom.
Genetische factoren en omgevingsfactoren vormen een onafscheidelijk paar, dat
gezamenlijk het unieke individu vormgeeft dat elk mens uiteindelijk wordt.
Erfelijke factoren worden invloedrijker naarmate mensen ouder worden. Bij eeneiige
tweelingen komt het IQ steeds dichterbij elkaar, maar bij twee-eiige tweelingen juist meer
uit elkaar.
Persoonlijkheid:
Neuroticisme de mate van emotionele stabiliteit die een individu gewoonlijk vertoont.
, Extraversie de mate waarin mensen graag in het gezelschap van anderen verkeren, zich
hartelijk gedragen en sociaal zijn.
Actief genotype-omgevingseffect: situatie waarin een kind zich richt op de aspecten van zijn
omgeving die het best aansluiten op zijn genetisch bepaalde capaciteiten.
(actief kind kiest voor sport en een kind dat erg creatief is kiest bijvoorbeeld voor de
knutselclub)
Passief genotype-omgevingseffect: situatie waarin de genen van de ouders worden
geassocieerd met de omgeving waarin een kind opgroeit.
(sportieve ouder kind krijgt de mogelijkheid om zelf ook te sporten)
Evocatief genotype-omgevingseffect: situatie waarin de genen van een kind een specifiek
type omgeving oproepen.
(een kind is goed in balspelletjes zijn ouders zetten hem op een sport)