H2, Perspectieven en onderzoek
5 visies op de ontwikkeling van een kind:
- Psychodynamisch
- Behavioristisch
- Cognitief
- Systemisch
- Evolutionair
Psychodynamisch perspectief:
Innerlijke krachten, herinneringen en conflicten (uit de kindertijd) beïnvloeden gedrag gedurende zijn
leven. Onbewust en geen controle hierover.
Freud: psychoanalytische theorie (psychoseksuele fases) fixatie!
Onbewuste krachten zijn bepalend voor iemands persoonlijkheid en gedrag. (bijv. geen ouderlijke
aandacht kind gaat aandacht aan juf vragen.
3 aspecten persoonlijkheid:
Id, Ego, Superego (rond 5/6 jaar)
Kind loop door reeks psychoseksuele fases van ontwikkeling. Geen bevrediging in fase fixatie =
gedrag dat in een eerdere ontwikkelingsfase is blijven steken als gevolg van een onopgelost conflict.
(je gaat dit gedrag op latere leeftijd vertonen)
Erikson: Psychosociale ontwikkeling stagnatie.
Veranderingen in de manier waarop we tegen interacties/gedrag van onszelf en anderen aankijken.
8 stadia met crisis. Gehele leven i.t.t Freud.
Leeftijd Kenmerken Freuds Eriksonsstadia: Positieve/negatieve
stadia: psychoseksuele Psychosociale resultaten
ontwikkeling ontwikkeling
0 tot 12-18 maanden Oraal (eten, zuigen, bijten) Vertrouwen vs +Vertrouwen dankzij steun
wantrouwen omgeving
- angst/zorgen om anderen
12-18 mnd tot 3 jaar Anaal (feces ophouden, Autonomie vs +Onafhankelijk (als
ontlasten controle schaamte/twijfel onderzoek gestimuleerd
mechanismen als wordt)
zindelijkheidstraining) -Twijfels over zichzelf en
gebrek aan
onafhankelijkheid
3 tot 5/6 Fallisch (interesse in Initiatief vs schuld +Ontdekken van manieren
genitaliën, omgaan met om dingen in gang te zetten
oedipuscomplex: leidt tot Schuldgevoel over daden en
identificatie met ouder van gedachten
zelfde sekse).
5/6 tot adolescentie Latentie (seksualiteit Vlijt vs + Groeiend besef
grotendeels op achtergrond, minderwaardigheid competenties
alles willen weten). -minderwaardigheid (geen
vertrouwen in eigen
kunnen)
Adolescentie tot Genitaal (opnieuw onluiken Identiteit vs + bewust van eigen
volwassenheid seksuele intresses, aangaan identiteitsverwarring uniekheid, vinden juiste rol
Erikson: adolescentie seksuele relaties) - kan geen juiste rol vinden
Eerste volwassenheid Intimiteit vs + ontwikkeling liefdevolle
isolement seksuelerelaties en
vriendschappen
-angst voor relaties
Volwassenheid Generativiteit vs +gevoel bij te dragen aan
stagnatie continuïteit leven/wereld
-bagatelliseren (alsof het
, activiteiten
Rijpheid Integriteit vs +Gevoel van eenheid in wat
wanhoop met in leven heeft bereikt
-Spijt van gemiste kansen.
Als stadia niet lukt: fixatie Als stadia niet lukt:
stagnatie
Behavioristisch perspectief
Ontwikkeling begrijpen d.m.v. waarneembaar gedrag mens gevormd door omgeving (Watson).
Pavlov: Klassieke conditionering
Leren op een bepaalde manierreageren (kwijl) op een neutrale stimulus (bel) die normaal de respons
niet uitlokt. Hierdoor leer je ook emotionele responsen (bijt hond angst)
Skinner: Operant conditionering
Vrijwillige respons versterkt/verzwaktafhankelijk van associatie met consequenties (+ of -).
De principes van operante conditionering worden toegepast bij
Gedragsmodificatie: techniek voor verhogen frequentie gewenst gedrag en verlagen ongewenst.
Bandura: Sociaalcognitief
Modelleren. Leren van een ander persoon (door observeren en gevolgen van zijn handelen).
Observatieproces: observeren, herinneren, reproduceren, motivatie tot herhaling.
Cognitief perspectief
De processen die mensen in staat stellen de wereld te leren kennen, begrijpen en erover na te denken.
Piaget: Cognitieve ontwikkeling
Kwalitatieve verandering vindt plaats.
De adaptie van kinderen wordt verklaard door 2 basisprincipes:
Assimilatie: rijen knopen uit elkaar meer
Accommodatie rijen knopen uit elkaar evenveel
De informatieverwerkingstheorie (modernere theorie)= Wilt achterhalen hoe mensen info
opnemen, opslaan en gebruiken. Kinderen beperkt vermogen tot verwerken in loop der jaren
ontwikkelen ze strategieën om info te verwerken. Kwantiteit info verwerking neemt toe
Cognitieve groei: Sneller, meer en complexere informatie opnemen.
3 basisaspecten infoverwerking:
• Codering = opnemen bruikbare informatie
• Opslag = Onthouden
• Ophalen = ophalen van opgeslagen informatie.
Informatie kan alleen worden verwerkt als alle 3 processen in werking zijn.
Een informatieverwerkingstheorie die voortkomt uit Piaget zijn onderzoek heet de neo – Piagetiaanse
theorie: cognitie bestaat uit verschillende typen individuele vaardigheden (lezen, verhalen herinneren
etc.) vaardigheden. Bij ontw. Ervaring belangrijk.
Cognitieve neurowetenschap (recent)= Richt zich op hoe hersenprocessen verbonden zijn aan
cognitieve activiteiten (interne mentale processen).
Systemisch perspectief
Vaak wordt verloop van de ontwikkeling of cognitief of sociaal of fysiek gezien. Systemisch
perspectief: kijkt naar relatie tussen individu en hun fysieke, cognitieve, sociale wereld.
2 belangrijke theorieën die in deze categorie thuis horen:
Bronfenbrenner: Bio – ecologisch model:
Gaat uit van 5 omgevingsniveaus die elk organisme gelijktijdig beïnvloed.
Het microsysteem = dagelijkse, directe omgeving waarin kinderen leven (thuis, verzorgers,
leraren, vrienden).
, kinderen aan ouders, leerlingen aan leraren etc. Slechte dag van ouder heeft invloed op kind
Het exosysteem = staat voor algemene invloeden, omvat sociale instituties als overheid,
scholen, kerken, plaatselijke media. Hebben invloed op kind.
Het macrosysteem = culturele invloeden (maatschappij algemeen, overheid, religie, politiek
etc.)
Het chronosysteem = invloed van verstrijken van de tijd, historische gebeurtenissen,
veranderingen etc.
De verschillende systemen hebben invloed op elkaar. Ontslag ouder (meso) ook invloed op het
microsysteem van een kind. Daarom moeten veranderingen in de ene omgeving ook in de andere
omgeving veranderen (verbeteren schoolsysteem helpt niet als kinderen thuis niet gestimuleerd
worden.
Vygotski Socioculturele theorie
Cognitieve ontwikkeling is het resultaat van sociale interacties tussen leden van een cultuur. Kinderen
leren wereld begrijpen via probleem oplossende interacties met ander mensen. Wederzijdse transactie:
Mensen en omstandigheden beïnvloeden kind (en op zijn tijd andersom). Ontwikkeling hangt af van
de mensen en omstandigheden om je heen.
Evolutionair perspectief
Lorenz: Gedrag is genetische erfenis van onze voorouders (vloeit voort uit Darwin).
Fysieke, persoonlijke gedragskenmerken door biologische/evolutionaire factoren.
Er is geen perspectief ‘het juiste’. Elk perspectief legt de nadruk op een ander aspect van de
ontwikkeling.