Aardrijkskunde SO H5.1, 5.2 en 5.3
5.1 China: bevolking en ruimte
De bevolkingsspreiding in China is ongelijk. In het oosten wonen veel mensen, omdat daar
dichtbevolkte gebieden met grote steden bevinden. In het westen is er veel reliëf, woestijnen en
daardoor dunbevolkt. Dus de 2 natuurlijke oorzaken zijn: in het westen is het te hoog en te koud.
Ook is het daar te droog.
Bevolkingsspreiding: de verdeling van mensen over een land of gebied.
In China heerst een bevolkingspolitiek: maatregelen om het aantal en de spreiding van de bevolking
te beïnvloeden.
Er wonen zoveel mensen in China. Om de groei te minderen van de bevolking, nam China een
maatregel: de eenkindpolitiek. Een nadeel is vergrijzing door daling kinderen en sterk gestegen
levensverwachting. Tegenwoordig mogen de bewoners van het platteland twee kinderen als het
eerste kind een meisje is. In de steden mogen ouders twee kinderen, als een van de ouders enig kind
is.
Om de bevolking beter te verdelen over het land, maken ze de migratie aantrekkelijker in het
westen. Bijvoorbeeld een baan of gratis huis aanbieden. Door de migratie ‘’verchinezen’’ de
autonome provincies in het westen van China.
Eenkindpolitiek: gezinnen mogen niet meer dan 1 kind hebben.
Migratie: het verhuizen van de ene woonplaats naar een andere woonplaats.
Verchinezen: verspreiding van de Chinese taal en cultuur.
5.2 Opkomend China
China is een van de opkomende landen in de wereld. In het begin was het een lagelonenland.
Arbeidsintensieve producten werden voor de export gemaakt. Inmiddels zijn er hogere lonen, er is
een grote en groeiende binnenlandse afzetmarkt. Er is minder namaak, want ze willen hun eigen
kennisintensieve producten gaan maken. Dit levert meer geld op dan het produceren of in elkaar
zetten (assemblage) van buitenlandse producten. China is van ‘’maakland’’ naar ‘’innovatieland’’
gegaan. Voorbeeld: Apple verdient 175 euro aan een iPad, terwijl het in elkaar zetten 10 euro
opbrengt.
Opkomend land: land dat nog niet echt ontwikkeld is, maar dat wel een snelle economische groei
doormaakte.
Lagelonenland: land met lage arbeidskosten.
Export: als producten het land uitgaan (uitvoer).
Arbeidsintensieve: bedrijf dat veel arbeid nodig heeft.
Afzetmarkt: het aantal klanten dat product en wil kopen.
Kennisintensieve: bedrijf dat veel vakkennis nodig heeft om producten te maken.
Assemblage: het in elkaar zetten van een product.
5.3 Migratie en verstedelijking
De urbanisatiegraad neemt snel toe, waardoor ook de urbanisatietempo toeneemt.
Urbanisatiegraad: het percentage stedelingen in een land.
Urbanisatietempo: de snelheid waarmee de urbanisatiegraad toeneemt
Welvaartskloof: een groot verschil in welvaart tussen arm en rijk, bijvoorbeeld economisch.
In China is er een verschil in inkomen tussen stad en platteland dat toeneemt. Er is sprake van een
groeiende welvaartskloof. Er is in het binnenland van China sprake van een welvaartskloof, omdat er
sprake is van sociale ongelijkheid: klein groep mensen rijk, de rest arm.
5.1 China: bevolking en ruimte
De bevolkingsspreiding in China is ongelijk. In het oosten wonen veel mensen, omdat daar
dichtbevolkte gebieden met grote steden bevinden. In het westen is er veel reliëf, woestijnen en
daardoor dunbevolkt. Dus de 2 natuurlijke oorzaken zijn: in het westen is het te hoog en te koud.
Ook is het daar te droog.
Bevolkingsspreiding: de verdeling van mensen over een land of gebied.
In China heerst een bevolkingspolitiek: maatregelen om het aantal en de spreiding van de bevolking
te beïnvloeden.
Er wonen zoveel mensen in China. Om de groei te minderen van de bevolking, nam China een
maatregel: de eenkindpolitiek. Een nadeel is vergrijzing door daling kinderen en sterk gestegen
levensverwachting. Tegenwoordig mogen de bewoners van het platteland twee kinderen als het
eerste kind een meisje is. In de steden mogen ouders twee kinderen, als een van de ouders enig kind
is.
Om de bevolking beter te verdelen over het land, maken ze de migratie aantrekkelijker in het
westen. Bijvoorbeeld een baan of gratis huis aanbieden. Door de migratie ‘’verchinezen’’ de
autonome provincies in het westen van China.
Eenkindpolitiek: gezinnen mogen niet meer dan 1 kind hebben.
Migratie: het verhuizen van de ene woonplaats naar een andere woonplaats.
Verchinezen: verspreiding van de Chinese taal en cultuur.
5.2 Opkomend China
China is een van de opkomende landen in de wereld. In het begin was het een lagelonenland.
Arbeidsintensieve producten werden voor de export gemaakt. Inmiddels zijn er hogere lonen, er is
een grote en groeiende binnenlandse afzetmarkt. Er is minder namaak, want ze willen hun eigen
kennisintensieve producten gaan maken. Dit levert meer geld op dan het produceren of in elkaar
zetten (assemblage) van buitenlandse producten. China is van ‘’maakland’’ naar ‘’innovatieland’’
gegaan. Voorbeeld: Apple verdient 175 euro aan een iPad, terwijl het in elkaar zetten 10 euro
opbrengt.
Opkomend land: land dat nog niet echt ontwikkeld is, maar dat wel een snelle economische groei
doormaakte.
Lagelonenland: land met lage arbeidskosten.
Export: als producten het land uitgaan (uitvoer).
Arbeidsintensieve: bedrijf dat veel arbeid nodig heeft.
Afzetmarkt: het aantal klanten dat product en wil kopen.
Kennisintensieve: bedrijf dat veel vakkennis nodig heeft om producten te maken.
Assemblage: het in elkaar zetten van een product.
5.3 Migratie en verstedelijking
De urbanisatiegraad neemt snel toe, waardoor ook de urbanisatietempo toeneemt.
Urbanisatiegraad: het percentage stedelingen in een land.
Urbanisatietempo: de snelheid waarmee de urbanisatiegraad toeneemt
Welvaartskloof: een groot verschil in welvaart tussen arm en rijk, bijvoorbeeld economisch.
In China is er een verschil in inkomen tussen stad en platteland dat toeneemt. Er is sprake van een
groeiende welvaartskloof. Er is in het binnenland van China sprake van een welvaartskloof, omdat er
sprake is van sociale ongelijkheid: klein groep mensen rijk, de rest arm.