Aardrijkskunde SO Hoofdstuk 7.1 en 7.2
7.1 Klimaat en reliëf in de VS
0-200m Laagland
200-500m Heuvelland
500-1500m Laaggebergte (middelgebergte) -> Appalachen
+1500m Hooggebergte -> Rocky Mountains
Hoogvlakte: ongeveer +500m
Laagvlakte: ongeveer lager dan 500m
Jong gebergte (Rocky Mountains en Alpen): hoge toppen, scherpe bergkammen en diepe dalen.
Minder dan 65 miljoen jaar oud.
Oud gebergte (Appalachen): afgeronde bergtoppen en ondiepe dalen. Ouder dan 65 miljoen jaar.
De Rocky Mountains en Appalachen liggen allebei in een noord-zuidrichting.
Tussen de Rocky Mountains (west) en Appalachen (oost) ligt er een vruchtbaar gebied met weinig
reliëf.
Oosten -> laagvlakte -> Centraal Laagvlakte -> wordt veel mais verbouwd (cornbelt). Richting het
westen wordt het droge en loopt het op tot de Great Plains -> hoogvlakte + steppe.
Akkerbouw is daar alleen mogelijk door irrigatie. Dat gebied staat bekend als de wheatbelt, omdat
daar veel tarwe wordt verbouwd. Ook is daar extensieve veeteelt.
Great Basin (Grote Bekken) -> hoogvlakte (± 1500m) -> droog landschap: kale rotsen, dorre
graspollen en cactussen.
Westkust: Coast Rangers en Sierra Nevada -> allebei jong gebergte -> tussen de jonge gebergten
Central Valley -> tussen de regenschaduw van de omliggende gebergten -> verbouwen citrusfruit,
rijst en groenten door irrigatie.
Verschillende temperaturen in de VS:
Noorden: ’s zomers warm en s’ winters koud.
Jaaramplitude: het verschil tussen de warmste en koudste maand van het jaar.
Door de breedteligging en reliëf zijn er verschillen in de temperaturen in de VS.
De grote gebergtekens liggen in een noord-zuidrichting. Daardoor houden ze de oceaanwinden
tegen. Daardoor verschillen ook de temperaturen tussen de zomer en winter in het binnenlamd.
Vanuit noorden: koude poolwinden zorgen voor sneeuw en lage temperaturen (winter)
Vanuit zuiden: s’ Zomers warme en vochtige winden vanaf de Golf van Mexico. Het is warm en valt
veel neerslag.
Northens en Southerns zorgen voor grote verschillen . Vb: vandaag 20°C, morgen -20°C.
Aanlandige wind = wind die van zee naar land waait (westkust). Door warme zeewater zijn daar de
winters zacht. De vochtige zeewind wordt opgevangen door de Coast Rangers en Sierra Nevada. Aan
de loefzijde valt neerslag (stuwingsregen = neerslag door de ligging van een gebergte).
, Aflandige wind = wind die van land naar zee waait.
Loefzijde = de windkracht van een gebergte met veel neerslag.
Lijzijde = de kant van een berg die uit de wind ligt ( er valt weinig neerslag).
De Great Plains liggen in het overgangsgebied tussen nat en droog -> neerslag onbetrouwbaar ->
risico voor akkerbouwers.
De 100°-meridiaan verdeelt de VS in 2 helften: oosten -> +500 mm neerslag.
West -> minder dan 500 mm neerslag.
7.2 Klimaat en natuurgeweld in de VS
Luchtsoort = grote hoeveelheid lucht met een bepaalde temperatuur en vochtigheid.
Hogedrukgebied (H) = gebied met een teveel aan lucht. (Maximum)
Lagedrukgebied (L) = gebied met een tekort aan lucht. (Minimum)
Boven zee -> lucht vochtig Boven land -> droog
Noorden -> koel Zuiden -> warm
Luchtsoorten verplaatsen zich door verschillen in lucht: lucht stroomt van H (teveel lucht), naar L
(tekort aan lucht).
Standaard situaties: kust van Florida een H -> lucht stroomt weg met de klok mee -> waait naar
zuidelijke staten -> aanlandige wind brengt warme, vochtige zeelucht mee -> hierdoor regent het
daar, zoals de steden Miami en New Orleans -> warm zeeklimaat.
In California bij de Grote Oceaan: weer wordt bepaald door H -> droog en zonnig -> s’ winters H
richting het zuiden -> aanlandige wind waait aan -> zorgt voor koeler weer met neerslag ->
Middellandse Zeeklimaat: warme, droge zomers en milde winters met neerslag.
Seattle -> zeeklimaat
Noordoosten -> landklimaat: warme zomers en koude winters. Het bijzondere aan die winters; het
gebied ligt op dezelfde breedte als Noord-Spanje en Italië. Doordat de bergen de invloed van de
oceaan tegenhouden, is het koud in de winter. Door de H op de grens met Canada, waait er een ijzig
koude, droge wind.
In de zomer is het juist warm, omdat er dan een matigende invloed van de zee ontbreekt.
L (depressies) kunnen zorgen voor extreme weersituaties:
Tornado -> ontstaat waar verschillende luchtsoorten bij elkaar komen. Het gebied tussen de Rocky
Mountains en de Appalachen heet een front -> scheidingslijn -> koude, droge lucht (noorden) botst
op warme, vochtige lucht (Golf van Mexico). Warme lucht stijgt snel op -> koelt snel af -> het gaat
regenen. Onder de onweerswolken ontstaat soms een draaiende kolom -> tornadoslurf.
Orkanen -> ontstaan boven warm zeewater (oosten van Caribisch gebied) -> stijgt op -> zeewater
verdampt in een tropische depressie -> na paar dagen tot tropische storm. +118 km/h is het een
orkaan of hurricane (VS). In het midden van een orkaan is het windstil en wolkeloos, met een
doorsnede van 30-50km; het oog van de orkaan.
Orkanen zorgen voor veel schade, zoals door hoge vloedgolven langs de kust. Boven land zwakt de
kracht af.
Zuidwesten: soms extreem warm -> bij hele hoge temperaturen ontstaan harde winden die zand in
de lucht blaast -> stofstorm. Ook kan het hard regenen -> op hellingen raakt de droge ‘’zandbodem’’
7.1 Klimaat en reliëf in de VS
0-200m Laagland
200-500m Heuvelland
500-1500m Laaggebergte (middelgebergte) -> Appalachen
+1500m Hooggebergte -> Rocky Mountains
Hoogvlakte: ongeveer +500m
Laagvlakte: ongeveer lager dan 500m
Jong gebergte (Rocky Mountains en Alpen): hoge toppen, scherpe bergkammen en diepe dalen.
Minder dan 65 miljoen jaar oud.
Oud gebergte (Appalachen): afgeronde bergtoppen en ondiepe dalen. Ouder dan 65 miljoen jaar.
De Rocky Mountains en Appalachen liggen allebei in een noord-zuidrichting.
Tussen de Rocky Mountains (west) en Appalachen (oost) ligt er een vruchtbaar gebied met weinig
reliëf.
Oosten -> laagvlakte -> Centraal Laagvlakte -> wordt veel mais verbouwd (cornbelt). Richting het
westen wordt het droge en loopt het op tot de Great Plains -> hoogvlakte + steppe.
Akkerbouw is daar alleen mogelijk door irrigatie. Dat gebied staat bekend als de wheatbelt, omdat
daar veel tarwe wordt verbouwd. Ook is daar extensieve veeteelt.
Great Basin (Grote Bekken) -> hoogvlakte (± 1500m) -> droog landschap: kale rotsen, dorre
graspollen en cactussen.
Westkust: Coast Rangers en Sierra Nevada -> allebei jong gebergte -> tussen de jonge gebergten
Central Valley -> tussen de regenschaduw van de omliggende gebergten -> verbouwen citrusfruit,
rijst en groenten door irrigatie.
Verschillende temperaturen in de VS:
Noorden: ’s zomers warm en s’ winters koud.
Jaaramplitude: het verschil tussen de warmste en koudste maand van het jaar.
Door de breedteligging en reliëf zijn er verschillen in de temperaturen in de VS.
De grote gebergtekens liggen in een noord-zuidrichting. Daardoor houden ze de oceaanwinden
tegen. Daardoor verschillen ook de temperaturen tussen de zomer en winter in het binnenlamd.
Vanuit noorden: koude poolwinden zorgen voor sneeuw en lage temperaturen (winter)
Vanuit zuiden: s’ Zomers warme en vochtige winden vanaf de Golf van Mexico. Het is warm en valt
veel neerslag.
Northens en Southerns zorgen voor grote verschillen . Vb: vandaag 20°C, morgen -20°C.
Aanlandige wind = wind die van zee naar land waait (westkust). Door warme zeewater zijn daar de
winters zacht. De vochtige zeewind wordt opgevangen door de Coast Rangers en Sierra Nevada. Aan
de loefzijde valt neerslag (stuwingsregen = neerslag door de ligging van een gebergte).
, Aflandige wind = wind die van land naar zee waait.
Loefzijde = de windkracht van een gebergte met veel neerslag.
Lijzijde = de kant van een berg die uit de wind ligt ( er valt weinig neerslag).
De Great Plains liggen in het overgangsgebied tussen nat en droog -> neerslag onbetrouwbaar ->
risico voor akkerbouwers.
De 100°-meridiaan verdeelt de VS in 2 helften: oosten -> +500 mm neerslag.
West -> minder dan 500 mm neerslag.
7.2 Klimaat en natuurgeweld in de VS
Luchtsoort = grote hoeveelheid lucht met een bepaalde temperatuur en vochtigheid.
Hogedrukgebied (H) = gebied met een teveel aan lucht. (Maximum)
Lagedrukgebied (L) = gebied met een tekort aan lucht. (Minimum)
Boven zee -> lucht vochtig Boven land -> droog
Noorden -> koel Zuiden -> warm
Luchtsoorten verplaatsen zich door verschillen in lucht: lucht stroomt van H (teveel lucht), naar L
(tekort aan lucht).
Standaard situaties: kust van Florida een H -> lucht stroomt weg met de klok mee -> waait naar
zuidelijke staten -> aanlandige wind brengt warme, vochtige zeelucht mee -> hierdoor regent het
daar, zoals de steden Miami en New Orleans -> warm zeeklimaat.
In California bij de Grote Oceaan: weer wordt bepaald door H -> droog en zonnig -> s’ winters H
richting het zuiden -> aanlandige wind waait aan -> zorgt voor koeler weer met neerslag ->
Middellandse Zeeklimaat: warme, droge zomers en milde winters met neerslag.
Seattle -> zeeklimaat
Noordoosten -> landklimaat: warme zomers en koude winters. Het bijzondere aan die winters; het
gebied ligt op dezelfde breedte als Noord-Spanje en Italië. Doordat de bergen de invloed van de
oceaan tegenhouden, is het koud in de winter. Door de H op de grens met Canada, waait er een ijzig
koude, droge wind.
In de zomer is het juist warm, omdat er dan een matigende invloed van de zee ontbreekt.
L (depressies) kunnen zorgen voor extreme weersituaties:
Tornado -> ontstaat waar verschillende luchtsoorten bij elkaar komen. Het gebied tussen de Rocky
Mountains en de Appalachen heet een front -> scheidingslijn -> koude, droge lucht (noorden) botst
op warme, vochtige lucht (Golf van Mexico). Warme lucht stijgt snel op -> koelt snel af -> het gaat
regenen. Onder de onweerswolken ontstaat soms een draaiende kolom -> tornadoslurf.
Orkanen -> ontstaan boven warm zeewater (oosten van Caribisch gebied) -> stijgt op -> zeewater
verdampt in een tropische depressie -> na paar dagen tot tropische storm. +118 km/h is het een
orkaan of hurricane (VS). In het midden van een orkaan is het windstil en wolkeloos, met een
doorsnede van 30-50km; het oog van de orkaan.
Orkanen zorgen voor veel schade, zoals door hoge vloedgolven langs de kust. Boven land zwakt de
kracht af.
Zuidwesten: soms extreem warm -> bij hele hoge temperaturen ontstaan harde winden die zand in
de lucht blaast -> stofstorm. Ook kan het hard regenen -> op hellingen raakt de droge ‘’zandbodem’’