Biologie H13
13.1 Eigenschappen doorgeven
In je lichaamscellen zitten voor elk eigenschap 2 allelen. 1 chromosoom van
een zaadcel en 1 van eicel.
Homozygoot = allebei de genen zijn hetzelfde BB/bb
Heterozygoot = de genen verschillend Bb
Overheersend allel = dominant B
Onderdrukt allel = recessief b
Bij heterozygoot kan de vader of moeder allebei een recessieve allel
doorgeven, waardoor hun kind blauwe ogen heeft.
Kruisingsschema = overzicht van de kans dat je nakomeling bijv. blauwe ogen krijgt.
Man Vrouw B b
B BB Bb
b Bb bb
Fenotype: 1:3 Kans op blauwe ogen = 25%
Genotype: 1:2:3 Kans op bruine ogen = 75%
Fenotype = uiterlijke eigenschappen
Genotype = erfelijke eigenschappen
Intermediar = er ontstaat een tussenvorming Genotype Fenotype
Schrijfwijze: AR = dominante rode gen AR AR Rood
AW = dominante witte gen A W AW Wit
A R AW Roze
, 13.2 Het zit in de familie
Erfelijke aandoeningen worden veroorzaakt door fouten in de genen.
Er zijn meerdere genen bij betrokken
Ook door 1 gen: bijv. albinisme ( heet monogeen)
Verschillende overdrachtsmanieren van monogene aandoeningen:
1. Recessieve overerving
Fenylketonurie (PKU). Kinderen met PKU worden gezond geboren, maar waarna ze
ouder worden krijgt het kind een verstandelijke achterstand, doordat de hersens
beschadigd raken.
PKU kan worden voorkomen, als het vroeg wordt ontdekt en dan met een speciaal
dieet.
De hielprik = test of je PKU in je bloed hebt.
A= gezond allel Het dominante allel houdt het
a= ziekmakend allel recessieve allel tegen.
Aa
Aa Heterozygoot Drager
aa Homozygoot recessief ziek
2. Dominante overerving
Aa Heterozygoot dominant
Ziekte van Steinert
ziekmakend allel.
Monogene aandoening (= aandoening bepaald
door 1 gen). Kans 50% om dit allel over te
dragen.
Spieren worden dan steeds zwakker
1. Gezicht- en kauwspieren
2. Arm- en beenspieren
A= ziekmakend allel
a= gezond allel
Aa ziek, want A = dominant
Ziekteverschijnselen zijn pas op latere leeftijd.
Geslachtsgebonden recessieve overerving
Soms is een gen defect in een X-chromosoom.
Vaak is de ziekte recessief.
Een man heeft maar 1 X-chromosoom, dus als die een defect gen heeft ziek
Een vrouw heeft 2 X-chromosomen, als 1 daarvan defect is niet ziek
13.1 Eigenschappen doorgeven
In je lichaamscellen zitten voor elk eigenschap 2 allelen. 1 chromosoom van
een zaadcel en 1 van eicel.
Homozygoot = allebei de genen zijn hetzelfde BB/bb
Heterozygoot = de genen verschillend Bb
Overheersend allel = dominant B
Onderdrukt allel = recessief b
Bij heterozygoot kan de vader of moeder allebei een recessieve allel
doorgeven, waardoor hun kind blauwe ogen heeft.
Kruisingsschema = overzicht van de kans dat je nakomeling bijv. blauwe ogen krijgt.
Man Vrouw B b
B BB Bb
b Bb bb
Fenotype: 1:3 Kans op blauwe ogen = 25%
Genotype: 1:2:3 Kans op bruine ogen = 75%
Fenotype = uiterlijke eigenschappen
Genotype = erfelijke eigenschappen
Intermediar = er ontstaat een tussenvorming Genotype Fenotype
Schrijfwijze: AR = dominante rode gen AR AR Rood
AW = dominante witte gen A W AW Wit
A R AW Roze
, 13.2 Het zit in de familie
Erfelijke aandoeningen worden veroorzaakt door fouten in de genen.
Er zijn meerdere genen bij betrokken
Ook door 1 gen: bijv. albinisme ( heet monogeen)
Verschillende overdrachtsmanieren van monogene aandoeningen:
1. Recessieve overerving
Fenylketonurie (PKU). Kinderen met PKU worden gezond geboren, maar waarna ze
ouder worden krijgt het kind een verstandelijke achterstand, doordat de hersens
beschadigd raken.
PKU kan worden voorkomen, als het vroeg wordt ontdekt en dan met een speciaal
dieet.
De hielprik = test of je PKU in je bloed hebt.
A= gezond allel Het dominante allel houdt het
a= ziekmakend allel recessieve allel tegen.
Aa
Aa Heterozygoot Drager
aa Homozygoot recessief ziek
2. Dominante overerving
Aa Heterozygoot dominant
Ziekte van Steinert
ziekmakend allel.
Monogene aandoening (= aandoening bepaald
door 1 gen). Kans 50% om dit allel over te
dragen.
Spieren worden dan steeds zwakker
1. Gezicht- en kauwspieren
2. Arm- en beenspieren
A= ziekmakend allel
a= gezond allel
Aa ziek, want A = dominant
Ziekteverschijnselen zijn pas op latere leeftijd.
Geslachtsgebonden recessieve overerving
Soms is een gen defect in een X-chromosoom.
Vaak is de ziekte recessief.
Een man heeft maar 1 X-chromosoom, dus als die een defect gen heeft ziek
Een vrouw heeft 2 X-chromosomen, als 1 daarvan defect is niet ziek