Nederlands Over Taal en Lezen BLOK 3
Lezen
Verbanden
Zinsverband: een verband binnen een zin of tussen zinnen.
Alineaverband: een verband tussen alinea’s.
Signaalwoorden
Ander: geeft aan dat er nog een voorbeeld bij een eerdere voorbeeld in de alinea wordt vervolgd.
Vaak wordt hiermee een verband aangegeven. Als er geen signaalwoord ziet, moet je goed naar de
inhoud kijken. Dat doe je met behulp van deze drie alineaverbanden:
1) Uitspraak-opsomming
Na een uitspraak of bewering worden verschillende dingen achter elkaar opgenoemd.
Signaalwoorden: ook, verder, bovendien, nog, daarnaast, niet alleen, ten eerste en ten tweede.
2) Uitspraak-tegenstelling
Na een uitspraak of bewering wordt meteen het tegengestelde beweerd.
Signaalwoorden: maar, daarentegen, echter, integendeel, enerzijds, anderzijds en daar staat
tegenover.
3) Uitspraak-voorbeeld
Een uitspraak of bewering wordt gevolgd door een of meer voorbeelden.
Signaalwoorden: bijvoorbeeld, als voorbeeld, zoals en zo.
Verbindingsmanieren
Er zijn vier manieren waarop het verband tussen alinea’s kan worden aangegeven. Deze manieren
kunnen ook met elkaar gecombineerd worden:
1) Signaalwoorden
Een signaalwoord staat in het begin van de alinea en geeft een seintje over het soort verband.
VB: maar, ten eerste, ten tweede, verder en daarnaast.
2) Herhaling
Aan het begin van een nieuwe alinea worden woorden of groepen woorden uit de vorige alinea
herhaald. Soms in dezelfde, maar vaak in andere woorden.
3) Overgangszinnen met een verwijzing
Overgangszinnen staan meestal aan het begin van een alinea. In een van de zinnen staat een
verwijzing naar iets eerder is gezegd door verwijswoorden.
4) Aankondigende zinnen
Een aankondigende zin staat meestal aan het eind van een alinea en vertelt wat je verderop in de
tekst kunt verwachten.
Over Taal
Aanhouden: voortduren
Betrekking hebben op: verband houden met
Compromis: de oplossing waarbij alle partijen iets toegeven
Desondanks: toch
Effectief: doeltreffend
Gemeen hebben: hetzelfde hebben
Lezen
Verbanden
Zinsverband: een verband binnen een zin of tussen zinnen.
Alineaverband: een verband tussen alinea’s.
Signaalwoorden
Ander: geeft aan dat er nog een voorbeeld bij een eerdere voorbeeld in de alinea wordt vervolgd.
Vaak wordt hiermee een verband aangegeven. Als er geen signaalwoord ziet, moet je goed naar de
inhoud kijken. Dat doe je met behulp van deze drie alineaverbanden:
1) Uitspraak-opsomming
Na een uitspraak of bewering worden verschillende dingen achter elkaar opgenoemd.
Signaalwoorden: ook, verder, bovendien, nog, daarnaast, niet alleen, ten eerste en ten tweede.
2) Uitspraak-tegenstelling
Na een uitspraak of bewering wordt meteen het tegengestelde beweerd.
Signaalwoorden: maar, daarentegen, echter, integendeel, enerzijds, anderzijds en daar staat
tegenover.
3) Uitspraak-voorbeeld
Een uitspraak of bewering wordt gevolgd door een of meer voorbeelden.
Signaalwoorden: bijvoorbeeld, als voorbeeld, zoals en zo.
Verbindingsmanieren
Er zijn vier manieren waarop het verband tussen alinea’s kan worden aangegeven. Deze manieren
kunnen ook met elkaar gecombineerd worden:
1) Signaalwoorden
Een signaalwoord staat in het begin van de alinea en geeft een seintje over het soort verband.
VB: maar, ten eerste, ten tweede, verder en daarnaast.
2) Herhaling
Aan het begin van een nieuwe alinea worden woorden of groepen woorden uit de vorige alinea
herhaald. Soms in dezelfde, maar vaak in andere woorden.
3) Overgangszinnen met een verwijzing
Overgangszinnen staan meestal aan het begin van een alinea. In een van de zinnen staat een
verwijzing naar iets eerder is gezegd door verwijswoorden.
4) Aankondigende zinnen
Een aankondigende zin staat meestal aan het eind van een alinea en vertelt wat je verderop in de
tekst kunt verwachten.
Over Taal
Aanhouden: voortduren
Betrekking hebben op: verband houden met
Compromis: de oplossing waarbij alle partijen iets toegeven
Desondanks: toch
Effectief: doeltreffend
Gemeen hebben: hetzelfde hebben