Scheikunde H2 Scheidingsmethoden
2.1 Soorten mengsels
Oplossing = een helder mengsel van een stof in een vloeistof. De
opgeloste stof is zo fijn verdeeld dat de vloeistof helder en
doorzichtig is.
Losse moleculen van een stof gelijkmatig verdeeld in oplosmiddel.
Scheiden door: indampen en destilleren
Bijv: drinkwater, cola, appelsap, brandspiritus en thee.
Suspensie = een troebel mengsel van een vaste stof niet opgelost in
een vloeistof. De deeltjes in de vloeistof zijn te groot, waardoor je er
niet doorheen kunt kijken. Of de deeltjes zijn zo groot dat ze naar de
bodem zakken. Een suspensie is altijd gekleurd of wit.
Scheiden door: bezinken, centrifugeren en filtreren
Bijv: sinaasappelsap, modderwater en vloeibaar schuurmiddel.
Emulsie = een troebel mengsel van twee vloeistoffen.
Emulgator = een stof die helpt bij het mengen van twee stoffen die
normaal gesproken niet of moeilijk mengbaar zijn. Op die manier
wordt een emulsie gevormd. Het is opgebouwd uit een hydrofiele
kop die water-minnend is en een hydrofobe staart die graag met vet
mengt.
Scheiden door: destilleren, centrifugeren en bezinken (in
scheidtrechter -> tweelagensysteem, deel weg laten lopen -> niet
nauwkeurig)
Bijv: fritessaus, olie (blijft op water drijven door een emulgator)
Tweelagensysteem = vormt zich door de verschil in dichtheid. Dan
zie je twee vloeistoffen boven elkaar.
Bijv: bovenste laag olie en daaronder
water
- Rook: mengsel van een vaste stof in
een gas
, - Schuim: mengsel van gasbellen in een vloeistof (troebel)
- Nevel: mengsel van een vloeistof in een gas
Oplosmiddel = vloeistof waarin een stof kan worden opgelost.
Niet alles lost op in water. Vet kun je beter oplossen in
wasbenzine, alcohol of aceton.
Bijv. water, alcohol, wasbenzine en aceton.
2.2 Scheiden van mengsels
Scheiden = het uit elkaar halen van de stoffen in een mengsel.
De stoffen en stofeigenschappen veranderen niet.
Bezinken = het scheiden bij suspensie en emulsie, waarbij de stof
met de grootste dichtheid naar beneden zakt.
Centrifugeren = versnelt het bezinken, doordat de emulsie of
suspensie met grote snelheid draait.
Filtreren = scheidingsmethode voor suspensies, waarbij het mengsel
een filter passeert.
Filtraat = vloeistof die bij filtreren het filter passeert.
Residu = stof die bij filtreren op het filter achterblijft.
Extraheren = scheidingsmethode waarbij 1 vloeistof van een
mengsel wel oplost in een vloeistof en de ander niet.
Extractiemiddel = de vloeistof die je bij extraheren gebruikt.
Rendement = de verhouding van de praktische opbrengst (je haalt
4,5 gram zout ui 100 g water..) en de theoretische opbrengst (terwijl
je theoretisch gezien 5 gram zout uit 100 g water kan halen).
Praktische opbrengst
Rendement= x 100 %
theoretische opbrengst
Scheiden gaat nooit volledig.
2.3 Indampen en destilleren
Indampen = scheidingsmethode om een opgeloste stof van de
vloeistof te scheiden.
Indampen van zout: watermoleculen verdampen allemaal en zouten
verdampen niet (heeft hoog kookpunt).
Kookpunt van een vloeistof is lager dan het kookpunt van de vaste
stof -> de vloeistof verdampt alleen.
Oplosbaarheid = van een stof is het aantal gram stof dat in 1L
vloeistof maximaal kan oplossen.
2.1 Soorten mengsels
Oplossing = een helder mengsel van een stof in een vloeistof. De
opgeloste stof is zo fijn verdeeld dat de vloeistof helder en
doorzichtig is.
Losse moleculen van een stof gelijkmatig verdeeld in oplosmiddel.
Scheiden door: indampen en destilleren
Bijv: drinkwater, cola, appelsap, brandspiritus en thee.
Suspensie = een troebel mengsel van een vaste stof niet opgelost in
een vloeistof. De deeltjes in de vloeistof zijn te groot, waardoor je er
niet doorheen kunt kijken. Of de deeltjes zijn zo groot dat ze naar de
bodem zakken. Een suspensie is altijd gekleurd of wit.
Scheiden door: bezinken, centrifugeren en filtreren
Bijv: sinaasappelsap, modderwater en vloeibaar schuurmiddel.
Emulsie = een troebel mengsel van twee vloeistoffen.
Emulgator = een stof die helpt bij het mengen van twee stoffen die
normaal gesproken niet of moeilijk mengbaar zijn. Op die manier
wordt een emulsie gevormd. Het is opgebouwd uit een hydrofiele
kop die water-minnend is en een hydrofobe staart die graag met vet
mengt.
Scheiden door: destilleren, centrifugeren en bezinken (in
scheidtrechter -> tweelagensysteem, deel weg laten lopen -> niet
nauwkeurig)
Bijv: fritessaus, olie (blijft op water drijven door een emulgator)
Tweelagensysteem = vormt zich door de verschil in dichtheid. Dan
zie je twee vloeistoffen boven elkaar.
Bijv: bovenste laag olie en daaronder
water
- Rook: mengsel van een vaste stof in
een gas
, - Schuim: mengsel van gasbellen in een vloeistof (troebel)
- Nevel: mengsel van een vloeistof in een gas
Oplosmiddel = vloeistof waarin een stof kan worden opgelost.
Niet alles lost op in water. Vet kun je beter oplossen in
wasbenzine, alcohol of aceton.
Bijv. water, alcohol, wasbenzine en aceton.
2.2 Scheiden van mengsels
Scheiden = het uit elkaar halen van de stoffen in een mengsel.
De stoffen en stofeigenschappen veranderen niet.
Bezinken = het scheiden bij suspensie en emulsie, waarbij de stof
met de grootste dichtheid naar beneden zakt.
Centrifugeren = versnelt het bezinken, doordat de emulsie of
suspensie met grote snelheid draait.
Filtreren = scheidingsmethode voor suspensies, waarbij het mengsel
een filter passeert.
Filtraat = vloeistof die bij filtreren het filter passeert.
Residu = stof die bij filtreren op het filter achterblijft.
Extraheren = scheidingsmethode waarbij 1 vloeistof van een
mengsel wel oplost in een vloeistof en de ander niet.
Extractiemiddel = de vloeistof die je bij extraheren gebruikt.
Rendement = de verhouding van de praktische opbrengst (je haalt
4,5 gram zout ui 100 g water..) en de theoretische opbrengst (terwijl
je theoretisch gezien 5 gram zout uit 100 g water kan halen).
Praktische opbrengst
Rendement= x 100 %
theoretische opbrengst
Scheiden gaat nooit volledig.
2.3 Indampen en destilleren
Indampen = scheidingsmethode om een opgeloste stof van de
vloeistof te scheiden.
Indampen van zout: watermoleculen verdampen allemaal en zouten
verdampen niet (heeft hoog kookpunt).
Kookpunt van een vloeistof is lager dan het kookpunt van de vaste
stof -> de vloeistof verdampt alleen.
Oplosbaarheid = van een stof is het aantal gram stof dat in 1L
vloeistof maximaal kan oplossen.