Psychologie
Hoorcollege 1
Ontwikkelingspsychologie
‘de fysieke ontwikkeling in de babytijd, peuter- en kleutertijd’
Groei van het lichaam = vier groeiprincipes
Cefalocaudale principe
Het hoofd groeit eerst, dan de bovenste lichaamsdelen, de rest als laatste. Van hoofd naar beneden
toe.
Proximodistale principe
Proximaal & Distaal
Principe van hiërarchische integratie
Eerst eenvoudige vaardigheden los van elkaar
Later geïntegreerd in meer complexe vaardigheden
Hiërarchie: van eenvoudig naar complex
Principe van de onafhankelijkheid van systemen
Tempo van groei van systemen is verschillend
Systemen ontwikkelen zich los van elkaar
Groei van de hersenen
Zenuwstelsel – Neuronen – Celkern – Vertakkingen – Dendrieten (verzendt) / Axon (ontvangt) – Myeline
Bij geboorte: 100-200 miljard neuronen
Gewichtstoename hersenen door toename verbindingen en myelinisatie
Na 2 jaar groei minder hard
Weinig gebruikte verbindingen: sterven af
Veel gebruikte verbindingen: versterken
Myelinisatie = Verbetering concentratie en geheugen
,Lateralisatie (2 helften) = Specialisatie = Links verbaal; rechts non-verbaal
Interactie hersenhelften = Samenwerken (en overnemen)
Eerste 2 jaar: Zeer veel nieuwe neuronverbindingen – steeds complexer – hoe meer verbindingen hoe
beter
Plasticiteit = Gevoeligheid van een zich ontwikkeld organisme voor omgevingsinvloeden – als er iets in de
omgeving verandert, verandert het brein ook
Gevoelige periode = Een afgebakende periode (meestal vroeg in het leven) waarin dat organisme extra
gevoelig is voor omgevingsinvloeden die betrekking hebben op een specifiek facet van de ontwikkeling.
Bij beschadiging van de hersenen kan de ene hersenhelft de functie van de andere overnemen
Reflexen = Niet aangeleerde (aangeboren), gestructureerde, onvrijwillige (automatische) responsen
(reacties) die automatisch optreden in de aanwezigheid van bepaalde stimuli. Je doet iets vanzelf, je hebt
er geen controle over. Een reflex is aangeboren. Sommige in je hele leven (pupilreflex, ooglidreflex),
anderen verdwijnen in 1e levensjaar.
Basis voor latere meer complexe gedragspatronen
Baby reacties te zwak, te sterk of te lang aanwezig: mogelijk neurologische schade (bv Syndroom
van Down)
Lichamelijke ontwikkeling
Grove motoriek: Grote gebaren dichtbij de romp (kruipen, lopen, rennen, fietsen)
Fijne motoriek: Kleine bewegingen van handen en vingers (grijpen, pen vasthouden, draad door naald
doen)
, Zintuigelijke ontwikkeling
Oogbewegingen coördineren en beter scherp stellen
6 jaar: tekst scannen
Gehoor is scherper, geluid isoleren is lastig
Perceptuele schematisering
Samengestelde objecten
7-8 jaar deel-geheel
Motorische ontwikkeling
Grote verbetering mogelijk door:
Ontwikkeling en myelinevorming in hersengebieden voor
= evenwicht en coördinatie
Steeds meer controle over spieren (zindelijkheid)
Heel veel oefenen: activiteitniveau van kleuters en peuters is zeer hoog
Motoriek – Gender verschillen
Jongens: beter gooien, hoger springen (balsport)
Meisjes: beter in activiteiten waar coördinatie van benen en armen nodig is (radslag)
Oorzaken Gender verschillen
Activiteitniveau
Verschil in spierkracht
Sociale factoren