duitse woorden hoofdstuk 3
3.1.1
der Etagendienst housekeeping
die Hausdame/ die Etagendame de supervisor housekeeping
der Leiter/ die Leiterin (einer Abteilung) de leidinggevende
das Zimmermädchen het kamermeisje
die Wäscherei de wasserij/stomerij
der Fensterputzer de glazenwasser
zuständig sein für (+4) verantwoordelijk zijn voor/ erover gaan
prüfen ob.. nagaan of..
sich kümmern um (+4) zorgen voor..
etwas erledigen iets regelen/ ervoor zorgen dat het gedaan wordt
Inventur machen inventariseren
kontrollieren controlleren
inspektieren inspectie houden
eine Checkliste erstellen een checklist maken
anklopfen kloppen (op de deur)
stören storen
reinigen/putzen schoonmaken
sauber schoonmaken
schmutzig vies
staubig/ verstaubt stoffig
verschimmelt beschimmeld
das Spinnennetz het spinnenweb
Staub saugen stofzuigen
die Seife de zeep
das Shampoo de shampoo
das Handtuch ("-er) de handdoek
die Bettwäsche het beddengoed
die Decke het deken
das Federbett (-en) het dekbed
das Kissen (-) het kussen
das Reinigungsmittel (-) het schoonmaakmiddel
3.2.2
Die Beschwerden/ die Probleme de klachten/ de problemen
die Beschwerde de klacht
sich beschweren über (+4) klagen over
der Beschwerde nachgehen de klacht onderzoeken
eine Lösung finden een oplossing vinden
der Grund de reden
der Irrtum/ das Versehen de vergissing
irrtümlich/ aus Versehen per vergissing
einen Fehler machen een fout begaan
der Fehler ist auf (+4) zurückzuführen de fout is te wijten aan
das Missverständnis het misverstand
das Verständnis het begrip
kuputt sein stuk zijn
, nicht funktionieren niet werken
etwas reparieren lassen iets laten maken
das Personal het personeel
der Hotelinhaber/ die Hotelinhaberin de hotelhoud(st)er
der Hotelbesitzer/die Hotelbesitzerin de hoteleigenaar(esse)
der Manager/ der Geschäftsführer de manager
der Rezeptionist/ die Rezeptionistin de receptionist
die Empfangsdame/der Empfangschef de front-office manager
der Haustechniker de medewerker technische dienst
umwelrfreundlich milieuvriendelijk
3.1.1
der Etagendienst housekeeping
die Hausdame/ die Etagendame de supervisor housekeeping
der Leiter/ die Leiterin (einer Abteilung) de leidinggevende
das Zimmermädchen het kamermeisje
die Wäscherei de wasserij/stomerij
der Fensterputzer de glazenwasser
zuständig sein für (+4) verantwoordelijk zijn voor/ erover gaan
prüfen ob.. nagaan of..
sich kümmern um (+4) zorgen voor..
etwas erledigen iets regelen/ ervoor zorgen dat het gedaan wordt
Inventur machen inventariseren
kontrollieren controlleren
inspektieren inspectie houden
eine Checkliste erstellen een checklist maken
anklopfen kloppen (op de deur)
stören storen
reinigen/putzen schoonmaken
sauber schoonmaken
schmutzig vies
staubig/ verstaubt stoffig
verschimmelt beschimmeld
das Spinnennetz het spinnenweb
Staub saugen stofzuigen
die Seife de zeep
das Shampoo de shampoo
das Handtuch ("-er) de handdoek
die Bettwäsche het beddengoed
die Decke het deken
das Federbett (-en) het dekbed
das Kissen (-) het kussen
das Reinigungsmittel (-) het schoonmaakmiddel
3.2.2
Die Beschwerden/ die Probleme de klachten/ de problemen
die Beschwerde de klacht
sich beschweren über (+4) klagen over
der Beschwerde nachgehen de klacht onderzoeken
eine Lösung finden een oplossing vinden
der Grund de reden
der Irrtum/ das Versehen de vergissing
irrtümlich/ aus Versehen per vergissing
einen Fehler machen een fout begaan
der Fehler ist auf (+4) zurückzuführen de fout is te wijten aan
das Missverständnis het misverstand
das Verständnis het begrip
kuputt sein stuk zijn
, nicht funktionieren niet werken
etwas reparieren lassen iets laten maken
das Personal het personeel
der Hotelinhaber/ die Hotelinhaberin de hotelhoud(st)er
der Hotelbesitzer/die Hotelbesitzerin de hoteleigenaar(esse)
der Manager/ der Geschäftsführer de manager
der Rezeptionist/ die Rezeptionistin de receptionist
die Empfangsdame/der Empfangschef de front-office manager
der Haustechniker de medewerker technische dienst
umwelrfreundlich milieuvriendelijk